Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— DROSERACEAE. —

FAMILIE 42.

(Salland), figeletjes en filetjes (Zeeland), gezichtje, schoenlapper, soldaatjes (Groningen), glazen muiltjes (Waterland), grilkieker (Groningen en Oostzijde van Overijsel en Gelderland), nacht en dagjes en schoenen en muiltjes (Waterland), zwaluwbloem (Groningen, Friesland), zeeschulpjes (Tholen> en stiefmoedertje (Salland, Zuid-Limburg).

Omtrent de afleiding van dit laatste woord het volgende: Het grootste en fraaist gekleurde onderste bloemkroonblad zit op 2 kelkblaadjes (stoelen), dit is de stiefmoeder, die het zich gemakkelijk maakt, daarnaast zitten hare 2 eigen kinderen, ook fraai uitgedost, ieder op 1 stoel, terwijl bovenaan de 2 eenvoudig gekleede stiefkinderen, samen op een stoel, zitten. Vroeger heet de stiefmoeder bovenaan te hebben gezeten, doch om haar te straffen, zou God de bloem omgekeerd hebben en aan de eigen kinderen der stiefmoeder een baard te hebben gegeven. De stempel stelt de vader voor, die uit ergernis over het gekibbel in zijne familie een kaal hoofd heeft gekregen. Hij zit met zijn voeten in een voetenzak (de spoor) en kan nauwelijks over de bloem heen kijken, laat zich eigenlijk eerst zien, als de andere familieleden zijn uitgegaan (als nl. de bloemkroonbladen zijn afgevallen).

Familie 42. Droseraceae D. C. Zonnedauwachtigen.

Bladen gesteeld, in een wortelroset staand, met klierdragende tentakels aan de oppervlakte en weinig ontwikkelde steunblaadjes. Bloemen regelmatig, 2-slachtig, vaak in een ongevorkt bijscherm staand. Kelk blijvend, 5-deelig. Kroonbladen 5. Helmknopjes naar buiten openspringend. Vruchtbladen 3-5, tot een vruchtbeginsel vereenigd, met 3-5, zelden verbonden, stijlen. Doosvrucht 1-hokkig, aan den top met 3-5 kleppen openspringend. Zaden talrijk, op ijzervijlsel gelijkend.

1. Drösera ') L. Zonnedauw.

Kroonbladen na den bloeitijd verdrogend, spatelvormig, zonder honigschubbetje. Stijlen 3, zelden 4 of 5, tweespletig. Doosvrucht zich met 3 kleppen openend, soms met 4 a 5. Zaden zeer klein.

Bloemen wit, klein, in langgesteelde, eindelingsche, aarachtige schijnaren, in de jeugd slakkenhuisvormig opgerold, alleen des voormiddags bij zonneschijn open.

Overblijvende moerasplanten.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Drosera.

A. Bloemstengel rechtopstaand, vele malen langer dan de bladen. Doosvrucht niet gegroefd. Zaadhuid de zaden los omgevend.

a. Bladen op den bodem liggend met ronde bladschijf, die zich plotseling versmalt in een behaarden steel. Bloemstengel 4-5 maal zoo lang als de bladen.

I). rotundifulla blz. 330.

b, Bladen opgericht met lijnvormig-langwerpige bladschijf, die geleidelijk in den langen, een weinig behaarden steel overgaat. Bloemstengel 2 a 3 maal zoo lang als de bladen D. an^liea blz. 331.

B. Bloemstengel aan den voet gekromd, nauwelijks langer dan de bladen. Bladen opgericht met omgekeerd eironde bladschijf, die geleidelijk in den onbehaarden bladsteel versmald is. Doosvrucht gegroefd. Zaadhuid de zaden nauw omsluitend.

D. intermedia blz. 331.

') van het grieksche droseros: bedauwd, naar de glinsterende kopjes op de haren der bladen.

Sluiten