Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Biologische bijzonderheden. De Droserasoorten zijn zoog. insectenetende planten. De bladen zijn zoowel aan den rand als aan de bovenvlakte bezet met zachte, roode, aan den top verdikte wimpers en die top scheidt een helder droppeltje vocht af, dat ze in den zonneschijn doet schitteren, zoodat het is alsof op de bladen in de volle zon dauw aanwezig is, hierop slaat de naam „zonnedauw". Die wimpers zijn niet alle even lang, die, welke aan den rand zitten, zijn de langste en staan straalvormig uit, op het midden van het blad zitten de kortste. Men kan ze niet als gewone haren opvatten, want die bestaan slechts uit een cel of eene rij van cellen, terwijl iedere wimper uit 1 of 2 vaten bestaat met parenchymcellen er om hten. Men noemt ze daarom vaak anders, nl. tentakels. Aan den top van iedere tentakel zit een klier, bestaande uit een groep langwerpige cellen in het midden, waarin het vat of de beide vaten eindigen en daarom heen 1 of meer lagen parenchijmcellen. Door deze klier wordt de droppel kleverige vloeistof aan den top der tentakel afgescheiden en deze vloeistof is zoo taai, dat men haar tot lange draden uit kan trekken. Komen er door den wind b.v. zandkorreltjes mee in aanraking of brengt men er kunstmatig kleine glassplintertjes of kleine suikerstukjes op, dan neemt men geen verandering in de tentakels waar, dan alleen, dat zij meer vocht afscheiden en dat dit vocht zuur van aard wordt. Komt er echter een klein insect, b.v. een mug of een vliegje aangevlogen, misschien verlokt door den schijnbaren honig op de glinsterende kopjes, dan gebeurt er heel wat anders. Is het insect op een der buitenste tentakels aangevlogen en is het daar aan het kleverige vocht blijven zitten, dan buigt zich die tentakel spoedig naar binnen, zij kromt zich tot het kopje dicht bij de bladoppervlakte is gekomen en dat vrij snel, want een kromming van 90° is in 10 minuten waargenomen. Terwijl dit gebeurt, is de uitgeoefende prikkel ook overgebracht op de naastliggende tentakels, want al spoedig beginnen zich ook deze te krommen en buigen zich ten slotte zoo, dat hunne klierkopjes zich bevinden in de onmiddellijke nabijheid van het eerste, dus van het insect, daarna volgen de iets verder afliggende enz., zoodat al spoedig het insect in het kliervocht van al deze deelen is gehuld en stikt.

Is het insect op het midden van het blad aangevlogen en daar vast blijven kleven aan de korte tentakels, dan komen ook geleidelijk de omliggende en daarna de verder verwijderde zich ombuigen, zoodat ook nu al spoedig hetzelfde resultaat is verkregen. Er gebeurt echter meer. Het kleverige vocht, dat afgescheiden wordt, verandert van geaardheid, het wordt zuur en er komt een enzijm in, dat geheel met pepsine van het maagsap overeen komt en daardoor wordt het evenals dit geschikt om eiwit, hier het eiwit der spieren van het insectenlichaam, op te lossen en dit opgeloste wordt daarna door de tentakels opgezogen. Is het insect klein, dan is dit na een paar dagen gebeurd en nu buigen zich de tentakels weer om tot in den gewonen stand en ziet men op het blad de onverteerbare overblijfsels van het insect liggen. Al spoedig beginnen zij nu weer vocht af te scheiden en zijn dan gereed om een nieuw insect te vangen. Een zelfde blad kan dit 2 of 3 maal doen, doch sterft dan.

Brengt men een stukje vleesch of hard eiwit op het blad, dan neemt men ook even goed oplossing daarvan waar.

Is het gevangen insect grooter, dan buigen zich niet alleen de tentakels, doch ook de bladschijf holt zich uit, waardoor de aanraking met het vocht der klieren inniger wordt.

Sluiten