Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hypericum humifusum

Fig. 405.

liggende of opstijgende, van onderen roodachtige, onbehaarde stengels (fig. 405), die voorzien zijn van 2 min of meer duidelijke ribben. De bladen zijn tegenoverstaand, bijna zittend, eirond-langwerpig, stomp, aan den rand met zwarte puntjes, de hoogere alleen met doorschijnende puntjes.

De bloemen staan alleen of in bijschermen met weinig bloemen, zij zijn geel en klein. De bloemstelen zijn even lang als de kelk of langer. De kelkbladen zijn ongelijk, langwerpig, stomp, stekelpuntig, gaafrandig, soms aan den rand met zwarte puntjes en enkele malen met klierharen. De

kroonbladen zijn weinig langer dan de kelk.

Meeldraden zijn er 15 a 20, zij zijn korter dan de kroonbladen. De doosvrucht is ovaal, iets langer dan de kelk, met tal van strepen (fig. 405). 5-20 cM. O© of i|.. Juni—September.

Biologische bijzonderheden. Bij het opengaan gedraagt de bloem van deze plant zich als die van H. perforatum, maar ten slotte bewegen zich hier de stijlen door kromming aan den voet naar binnen tot de einden dier deelen elkaar kruisen. Hierdoor komt iedere stempel met zich op dezelfde hoogte bevindende helmknopjes in aanraking en

heeft zoo spontane zelfbestuiving plaats. Tegen 3 uur in den middag is de bloem gesloten en drukken de kroonbladen de helmknopjes nog sterker tegen de stempels en daar de bloem niet weer opengaat, is dus de beschreven zelfbestuiving vaak de eenige wijze van bestuiving, te meer daar slechts weinige twee- en kleine vliesvleugeligen de bloem bezoeken. Blijft de bloem bij regen gesloten, dan heeft er ook in de gesloten bloem zelfbestuiving plaats.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in West- en AAidden-Europa op zand- en veengrond, op akkers en aan slooten voor. Zij is bij ons algemeen, vooral op zandgrond en in Zuid-Limburg op löss.

H. hirsütum ') L. Ruig hertshooi (fig. 406).

Uit een liggenden wortelstok komen vele rechtopgaande met fijne wol

bekleede stengels. De bladen staan dicht opeen aan den stengel, tijdens den bloeitijd zijn de onderste reeds verdord, zij zijn eirond-langwerpig, stomp, met bijna hartvormigen voet, plotseling in den korten steel samengetrokken, van boven groen, van onderen bleek, van doorschijnende puntjes voorzien en ook ruw behaard.

De bloemen staan in bijschermen, die tot een soort pluim vereenigd zijn, zij zijn bleekgeel en vrij groot. De kelkbladen zijn lancetvormig, stomp, klierachtig gewimperd, de klieren zijn zeer kort gesteeld.

De kroonbladen zijn 3 a 4 maal zoo lang als de kelkbladen en soms aan den top van zwarte kliertjes voorzien. De meeldraden zijn nauwelijks korter De doosvrucht is ovaal, 1 % maal zoo lang als de

Hypericum hirsutum

Fir. 406. dan de kroonbladen.

') hirsutum = ruwharig.

Sluiten