Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. Tilia ') li. L i n d e.

Bloemen regelmatig. Kelk 5-bladig, afvallend, geelgroen, aan den voet met een honiggroefje. Kroonbladen 5. Meeldraden vele of tot 5 voor de kroonbladen staande bundels vergroeid. Vruchtbladen 5, voor de kelkbladen staand, met 1 stijl en 5 stempels. Vruchtbeginsel 5-hokkig, ieder hokje met 2 eitjes. Vrucht 1-hokkig, 1-2-zadig, bijna bolrond, hard van wand (een nootje).

Bloemen geel of geelwit, welriekend, in okselstandige, gesteelde bijschermen , die door een met den steel der bloeiwijze ten deele vergroeid, langwerpig, bleek schutblad gesteund worden. Aan den voet van dezen steel zit zijdelings een zich in het volgend jaar ontwikkelende knop. Bladen in 2 rijen, dus afwisselend, gesteeld, scheef hartvormig, toegespitst, gezaagd, met afvallende steunbladen. Flinke boomen.

Biologische bijzonderheden. Het afwisselend staan der bladen staat in verband met hunne groote breedte, bij een anderen stand toch zouden zij allicht elkaar het licht ten deele benemen.

De bloemen zijn geheel voor bestuiving door insecten ingericht. Niet alleen vallen zij op door haren sterken geur (die zelfs op een afstand nog sterker is dan dicht bij) maar ook bevatten zij honig, die door de holle kelkbladen afgescheiden wordt. Deze honig is in de hangende bloemen, die bovendien nog onder de bladen zitten, goed beschut tegen regen. De kleur der bloemen is hier niet sterk opvallend en dat te minder, daar het bloeien plaats heeft, als de boom reeds geheel bebladerd is.

De bloemen zijn protrandrisch. De talrijke, naar buiten gebogen meeldraden steken buiten kelk en bloemkroon uit, dus kunnen aanvliegende insecten zich bij de hangende bloemen slechts aan de meeldraden of de stempels vastklemmen. Omdat de bloemen protrandrisch zijn, zullen zij in jongere bloemen stuifmeel opnemen, dat zij in oudere op de stempels brengen. Spontane zelfbestuiving is onmogelijk, daar de meeldraden steeds naar buiten gekeerd blijven, doch het inscctenbezoek is zoo sterk, dat kruisbestuiving verzekerd is. Ook kortsnuitige insecten toch kunnen den honig bereiken doch ook de honigbij, hommelsoorten en vliegensoorten (Syrphiden, Musciden) behooren tot de trouwe bezoekers.

Het schutblad blijft ook aan den steel der vruchten zitten en valt er mee af, zoodat de gezamenlijke vruchten een soort vleugel hebben, die de verspreiding er van bevordert.

Op de bladen der lindesoorten vindt men:

1". in de hoeken der aderen, aan de onderzijde, haarbosjes. Deze zoog. domatiën zijn waarschijnlijk ontstaan door den invloed van galmijten (hier vooral door Tydeus foliorum en Gamasus repallidus). Deze wonen er in en komen er 's nachts uit om de zwamsporen en andere onzuiverheden op de bladen te eten. Zoo zou men hier met een fraai voorbeeld van symbiose te doen hebben: de plant geeft huisvesting, de dieren houden de bladen schoon.

2'. Soorten van galmijten (Phytoptussoorien) veroorzaken witte, later

■) van 't latijnsche telum: werpspies, omdat het lindenhout bij de Ouden diende, om er de genoemde voorwerpen van te maken of van tilia: bast, omdat de taaie bast voor vlechtwerk diende.

Sluiten