Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer bruinachtige vlekjes op de bladen. Andere Phytoptussoorien veroorzaken op de bovenvlakte buidelgallen, Iangwerpig-kegelvormige, vaak iets gekromde, tot 5 mM lange gallen, die boven en beneden verdund zijn en meest fraai rood zijn gekleurd. Zij hebben aan de ondervlakte der bladen een nauwe, door haren gesloten opening, die voert in de galholte, waarin de mijten leven.

3°. De honigdauw, die veroorzaakt wordt door bladluizen, welke op de linde leven en door de aarsopening dezer dieren naar buiten komt. Het vocht valt van de ondervlakte van bladen, waar de bladluizen zitten, op de bovenvlakte van lager gelegen bladen, droogt daar op, doch verspreidt zich, als de bladen vochtig zijn, door oplossing in water over de geheele vlakte en vormt bij het daarop volgend opdrogen een vernislaagje, dat voor den boom nog dienst kan doen, door te sterke transpiratie der bladen tegen te gaan.

Gebruik. Behalve dat de linden aangekweekt worden om de fraaie, volle, regelmatige kroon, bewijzen zij ook andere diensten. De bast is zeer taai en wordt gebruikt voor moscovische matten, het hout is zacht en fijn en wordt voor snijwerk aangewend en ook om er fijne houtskool uit te maken. Een aftreksel van lindebloesem (lindebloesemthee) wordt als zweetdrijvend middel gebruikt. De zaden bevatten een dikke, niet opdrogende olie.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht' Tilia.

A. Bladen groot, groen, van onderen zachl behaard en in de oksels der nerven met witte haarbundeltjes. Knoppen behaard, met 3 groote schubben. Vrucht groot met houtige schil en 5 sterk uitstekende ribben. Bijschermen 2-5-bloemig, hangend.

T- platyphyllus blz. 344.

Bladen vrij groot, groen, van onderen onbehaard, doch in de oksels der nerven met bleek roestkleurige haarbundeltjes. Knoppen onbehaard, met 2 groote schubben. Vrucht vrij groot, met dikke, stevige schil met 5 uitstekende ribben. _ T. intermedia blz. 345. L. Bladen klein, blauwgroen, van onderen onbehaard, doch in de oksels der nerven met rosse haarbundeltjes. Knoppen onbehaard, met 2 groote schubben. Vrucht klein, met dunne, brosse schil, zonder uitstekende ribben T. nlmifolia blz. 345.

Herkomst. De lindesoorten stammen oorspronkelijk uit het Zuiden. Zij verschillen dan ook van onze gewone loofboomen aanzienlijk, doordat zij eerst in den zomer bloeien en insectenbloemen hebben, terwijl bijna al de loofboomen, die bij ons thuis behooren, vroeg bloeien en meestal windbloemen bezitten.

T. platyphyllus') Scop. (T. grandifólia-) Ehrh.). Grootbladlinde (fig. 413).

De stam van dezen boom heeft een gescheurde, rimpelige, zwartbruine, vrij taaie schors, de oudere takken zijn vrij glad en grijs, de eenjarige groen-, bruin- of roodachtig met kleine knoopjes, de jonge zijn afstaand behaard. De knoppen zijn eirond, stomp, bruinachtig, de derde schub omvat den knop geheel. De bladen zijn gesteeld, niet geheel symmetrisch, rondachtig-hartvormig, gezaagd, toegespitst, aan weerszijden gelijk groen van kleur, aan weerszijden, doch vooral aan de onderzijde, kort behaard en in de hoeken der nerven wit gebaard. Van boven worden ze soms

') platyphyllus = breedbladig.

-) grandifólia = grootbladig.

Sluiten