Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Biologische bijzonderheden. De inrichting der bloem met het oog op de bestuiving is bijna gelijk aan die bij M. silvestris, doch tegen het einde van den bloeitijd (circa 48 uren na het opengaan der bloem) krommen zich de stempeltakken zoo sterk naar beneden, dat zij de nog met iets stuifmeel bedekte helmknopjes aanraken, zoodat nu nog spontane zelfbestuiving kan plaats hebben. Daar de bloemen kleiner zijn dan bij M. silvestris is er minder insectenbezoek en is dus deze maatregel wel wenschelijk om zekerheid voor zaadvorming te hebben.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt aan wegkanten,, op akkers, aan heggen in geheel Europa voor en is bij ons algemeen.

') neglecta = voorbijgezien. -) vulgaris = gewoon.

De bloemstelen staan opeengehoopt in de bladoksels en staan na den bloei rechtop. De bijkelkbladen zijn ovaal-lancetvormiL* vrii ver van rtpn tptw

verwijderd. De kelkslippen zijn driehoekig. De kroonbladei hebben een gebaarden nagel en zijn 2 a 3 maal zoolang als di kelk. omgekeerd hartvormig of diep uitgerand, naar den voet ver smald, blauwachtig wit. De vruchten zijn onbehaard of iet: behaard, sterk netachtig gegroefd, zonder getande randen, bi rijpheid geel (fig. 421). 2-5 dM. O. Mei—Juli.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt aar wegkanten . puinhoopen in de streek der Middellandsche Ze< voor en is bij ons alleen op een bemest heideveld te Apeldoorr waargenomen. Dit was bemest met sumac uit Palerma afkomstig

M. neglecta ') Wallr. (M. vulgaris2) Fr.). Klein kaasjeskruid (fig. 422).

Deze plant is verspreid behaard. Uit den penwortel komen eenige liggende of opstijgende stengels, die rond en min of meer met sterharen bekleed zijn. Jchtig, langgesteeld, met min of meer hartvormigen

meer duidelijk 5-7-lobbig, gekarteldgezaagd, aan weerszijden met eenige enkelvoudige of stervormige haren bezet. Van deze laatste zijn eropdc stelen meer. De steunbladen zijn klein langwerpig, toegespitst, behaard.

De bloemen staan in hoopjes in de oksels der bladen en hebben bloemsteeltjes, die korter zijn dan de bladen en na den bloei naar beneden gericht zijn met rechtopstaanden kelk. De bijkelkbladen zijn Iijn-lancetvormig, de kelkslippen langwerpig-driehoekig met vlakken rand en naar voren gerichte haren. De kroonbladen zijn vrij klein, 2 a 3 maal zoo lang als de kelk, met ;en diepe insnijding, rose of bijna >vit, zij zijn bijna omgekeerd hartvormig en worden bij het dragen ichtviolet. Het stijlkussen is bijna :ven breed als de vruchtjes. De vruchjes zijn glad met afgeronden rand. r-45 cM. O—juni—October.

Mal va mcaeensis

Fig. 421.

De bladen zijn rondvoet. Zij zijn min of

Malva neglecta.

Fig. 422.

1 bloem in doorsnede; 2 vrucht

Sluiten