Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. hirsüta ')L. Ruige heemst (fig. 427).

Uit den pemvortel komt een rechtopstaande of opstijgende, stijf afstaand behaarde, ver¬

takte, ronde, geribde, vaak roodachtig aangeloopen stengel. De onderste bladen zijn niervormig 5-lobbig, de middelste 5-, soms ook 7-slippig, de hoogere 3-deelig, alle zijn gekarteld. De bladstelen zijn afstaand borstelig behaard, evenals de bladschijven althans in het begin. De steunbladen zijn eirond-lancetvormig, sterk gewimperd.

De bloemen staan alleen in de bladoksels en hebben stelen, die langer dan de bladen zijn. De bijkelkbladen zijn lancet' vormig. korter dan de kelk en de kelkslippen zijn lancetvormig, lang toegespitst. De kroonbladen zijn lila of bleek rose^ weinig langer dan de kelk, iets uitgerand. De vruchten zijn onbehaard, gerimpeld, met afgeronden rug en stompe randen (fig. 427). 1-4 dM. O. Mei—Juli.

iiunaea mrsuta

Fig. 427.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op kalkhotidende akkers in Midden- en Zuid-Europa voor en is bij ons op eenige plaatsen aangevoerd.

L. trimèstris -1) L. L a v a t e r a (fig- 428).

De plant heeft rechtopstaande, vertakte, naar boven verspreid behaarde stengels. De onderste bladen zijn rond-hartvormig, gekarteld, de bovenste hoekig of gelobd, vooral van onderen zijn ze dunvilti.?.

De bloemen zijn levendig rose, geaderd, groot, alleenstaand in de bladoksels. De bijkelkslippen zijn ovaal, uitgespreid, korter dan de kelk. De kelkslippen zijn langwerpig-lancetvormig, de kroonbladen 5 a 6 maal zoolang als de kelk. De vruchten zijn talrijk, onbehaard, sterk gerimpeld, in het midden ingedrukt met afgeronden rug en bestaan uit verscheiden. eenzadige vruchtjes, die om een centrale spil zijn gerangschikt en bij rijpheid zwart worden (fig. 428). Het stijlkussen is schijfvormig en bedekt de vruchtjes. 6-12 dM. O. juli—Herfst.

Lavatera trimèstris Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op

Fig. 428. bouwland in de streek der Middellandsche Zee en den Levant

voor en is alleen aangevoerd bij Apeldoorn.

4. Hibiscus4) L.

H. Trinnum "•) L. Hibiscus (fig. 429).

Uit den penwortel komt een al of niet vertakte, rechtopstaande, ronde, los bebladerde stengel, die evenals alle andere groene deelen der plant met sterharen is bezet. De onderste bladen zijn het kleinst, bijna cirkelrond, iets 3-5-lobbig, stomp, gekarteld; de volgende zijn 3-5-deeIig met langwerpige, gelobde slippen, de middenslip is verlengd, de eene zijslip staat rechtop, de andere horizontaal uit. De bovenste bladen zijn bijna uit 3 blaadjes samengesteld, de middenslip is de langste, de 2 zijslippen staan horizontaal af.

De bijkelk is veeldeelig met smalle, spitse, lijn-lancetvormige slippen. De kelk is

i) hirsuta = ruwharig. -) gewijd aan Lavater, een Zwitsersch arts in de 17e eeuw.

:l) trimèstris = driemaandelijksch. ') van het grieksche Hibiscos, een oude naam

voor de heemst en andere malveachtige planten. •') waarschijnlijk van triaina: drietanden

zou dan betrekking hebben op de 3-deelige, spits gelobde bladen.

Sluiten