Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bb. Bladen in omtrek veelhoekig met naar den top versmalde lobben.

a. Vruchtjes sterk rimpelig, min of meer behaard. Kroonbladen rond-omgekeerd-eirond, zwartviolet, zelden roodviolet. Bladen handvormig 5-7-spletig.

G. phaeum blz. 359.

p. Vruchtjes niet rimpelig, behaard. Kroonbladen omgekeerd-eirond. Bladen handvormig 7-spletig of -deelig.

««. Bloemstelen na den bloeitijd neergebogen. Bloemkroon blauw. Helmdraden met breed driehoekigen voet, plotseling naar boven versmald.

G. pratense blz. 360.

PP- Bloemstelen steeds rechtopstaand. Bloemen violet. Helmdraden lancetvormig, naar boven geleidelijk versmald. . . G. silvaticum blz. 361. b. Planten eenjarig, met dunnen penwortel. Bloemen klein. Kroonbladen weinig langer dan de kelkbladen. Bladen 5-9-spletig of -deelig.

aa. Bladen handlobbig of -spletig, dus niet of nauwelijks tot op de helft ingesneden. Kelkbladen zeer kort genaaid.

«. Stelen der bloeiwijzen korter dan de langgesteelde bladen. Kroonbladen niet ingesneden, met onbehaarden nagel. Vruchtjes en snavel kort afstaand behaard met enkele klierhaartjes er tusschen.

G. rotuiiilifoliuiii blz. 361.

P• Stelen der bloeiwijzen langer dan de bovenste, bijna zittende bladen. Kroonbladen ingesneden, boven den nagel behaard.

aa. Stengels met uitstaande haren bezet. Kroonbladen wat langer dan de kelk, rose. Meeldraden 10, vruchtbaar, met onbehaarde helmdraden.

Vruchtjes onbehaard, gerimpeld G. molle blz. 363.

PP- Stengels fijn behaard. Kroonbladen nauwelijks zoolang als de kelk, lila. Vaak 5 vruchtbare meeldraden met aan den voet behaarde helmdraden. Vruchtjes aangedrukt behaard, niet gerimpeld.

G. pusillam blz. 364.

bb. Bladen handdeelig, dus bijna tot aan den voet gedeeld. Kelkbladen genaaid. Kroonbladen ingesneden.

a. Stelen der bloeiwijzen veel langer dan de bladen. Bloemstelen 6 a 7 maal zoolang als de kelk. Vruchtjes onbehaard. Snavel met korte, naar voren

gerichte haren G. eolumbinum blz. 361.

P- Stelen der bloeiwijzen korter dan of evenlang als de bladen. Bloemstelen nauwelijks zoolang als de kelk. Vruchtjes en snavels afstaand klierachtig

behaard G. dissectum blz. 362.

B. Nagel der kroonbladen evenlang als of langer dan de plaat. Planten eenjarig, met penwortel. Kelkbladen tijdens den bloeitijd rechtopstaand, tijdens den vruchttijd samenneigend. Kroonbladen vrij klein met onbehaarden nagel.

a. Bladen rondachtig, niervormig, handlobbig of -spletig met gekartelde slippen. Kelk onbehaard, dwars gerimpeld met 5 sterk uitspringende kanten. Stengel bijna '<aa' lncidum blz. 365.

b. Bladen 3-5-tallig met gesteelde, dubbel vinspletige blaadjes. Kelk klierachtig behaard, niet dwars gerimpeld G. Robertlanum blz. 365.

Biologische bijzonderheden. De rijpe vruchtjes zitten in den blijvenden kelk, alle 5 nog met de stijlen, die aan het centrale zuiltje zitten, er ver buiten uitstekend. Zij laten nu van beneden af los; en daarbij krijgt ieder der vruchtjes aan de zijde van het zuiltje een opening (zie boven). Dat loslaten geschiedt plotseling en met zulk een ruk, dat het zaadje over een vrij grooten afstand er uit wordt geslingerd en zoo de verspreiding er van wordt bewerkt. Dit gebeurt echter alleen bij de grootbloemige soorten G. sanguineum, G. pratense en de kleiribloemige G. dissectum. Bij de andere soorten, b.v. G. molle, G. pusillum, C. lucidum, G. Robertianum en G. pyrenaicum, sluit zich echter de opening van ieder der deelvruchtjes. Hier laat het vruchtje van de naald los en wordt met het zaad weggeslingerd.

Sluiten