Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

359

Geranium pyrenaicum.

Fig. 432.

1. Meeldraden en stamper voor het opengaan der bloem

2. Dezelfde deelen in het begin van den bloei. 3. Dezelfde deelen iets verder in den bloeitijd . -I. Dezelfde deelen al weer wat verder, hkx helmknopjes van den buitensten krans van meeldraden. At, dezelfde van den binnensten, st stempels, h honigkliertjes.

Biologische bijzonderheden. Ook wat den bouw der bloem met het oog op de bestuiving betreft, staat deze soort tusschen die met groote en met kleine

MnnmA» I ^ J 1- 1

uiucmcii ui, uulli naaerr meer tot die met groote bloemen.

Voor de bloem zich opent (fig. 432), zijn de toppen der meeldraden iets naar buiten gebogen. In de open bloem hebben zich eerst de 5 buitenste meeldraden opgericht en staan de helmknopjes, die aan de buitenzijde zijn opengesprongen, boven de dan nog opeengesloten stempels. Op den volgenden dag richten zich ook de 5 binnenste meel¬

draden op, zoodat de ook nu nog aaneengesloten stempels door de 10 helmknopjes omgeven zijn. De bloemen zijn dus vrij sterk protrandisch. Een of 2 dagen later spreiden zich de stempels uit en is nu nog stuifmeel aanwezig, dan kan door insecten of spontaan zelfbestuiving optreden, anders is kruisbestuiving door insecten uit jongere bloemen aangewezen.

V oorkonten in Europa en in Nederland. De plant komt in beschaduwde, boschrijke streken in Midden- en Zuid-Europa voor. Bij ons is zij zeldzaam en wordt het meest aan spoordijken en wegen aangetroffen. Zij is waarschijnlijk langs de spoorbanen bij ons aangevoerd en schijnt zich te verspreiden.

G. phaeum ') L. Donkere ooievaars bek (fig. 433).

Uit een bijna horizontalen wortelstok komen 1 of meer rechtopstaande, naar boven vertakte stpn^pls Hip i^rht mui hori¬

zontaal afstaande, witte haren bezet zijn. De wortelbladen zijn zeer lang gesteeld, de stengelbladen, die uit de vooral dicht met witte haren bezette en roodbruin gekleurde knoopen komen, staan verspreid en zijn naar boven toe al korter en korter gesteeld en ten slotte zittend. De wortelbladen en de onderste stengelbladen zijn handdeelig, 7-slippig, de hoogere stengelbladen 5-, zelfs 3-slippig. Alle slippen zijn ingesneden getand, de tanden loopen in een rood puntje uit. De bladen zijn van boven groen en behaard, van onderen doffer en kaal. Aan den voet der bladstelen zitten vliezige, langwerpige stpunhlanHipc

L»e bloemstelen staan tegenover de bladen, zijn 2-bloeniig, langer dan de bladen. De kelkbladen zijn eirond, iets grijsgroen door lange dicht afstaande haren en eindigen meest in een spitsje. De kroonbladen zijn gegolfd, niet ingesneden, vlak uitgespreid, later iets neergebogen met witten nagel en roodbruine plaat. De vruchtstelen zijn verlengd, rechtopstaand of uitgespreid De schutbladen zijn lijnvormig, stomp. De vruchtjes zijn sterk rimpelig, behaard (fig. 433). 4,5-6 dM. Mei—Juli.

') phaeum = bruin.

Geraoium phaeum

Fig. 433.

Sluiten