Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

randen en op de aderen fijn behaard. De bovenste bladen zijn 3-deeligen iedere bladslip is herhaald 3-spletig.

De bloemstelen komen uit de bladoksels, zijn dicht met witte haren bezet, korter dan of even lang als de bladen, nauwelijks zoo lang als de kelk, na den bloeitijd naar beneden gebogen met opgerichten kelk. De kelkbladen zijn eirond, uitstaand behaard en met klierharen voorzien, met een naald aan den top. De kroonbladen zijn purperkleurig, even lang als de kelk, met korten, gewimperden nagel, omgekeerd eirond. De helmdraden zijn naar beneden behaard. De vruchtjes zijn niet rimpelig, doch evenals de snavel afstaand klierachtig behaard (fig. 438). 1-4 dM. 0, ook wel 00. Mfei—September.

Biologische bijzonderheden. De inrichting der bloem met het oog op de bestuiving is als bij G. columbinum.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op bouwland, aan wegen, heggen en dijken, op kleigrond in geheel Europa voor en is bij ons vrij algemeen.

G. mólle') L. Zachte ooievaarsbek (fig. 439).

Deze plant gelijkt veel op G. pusillum, doch onderscheidt er zich van door de roseroode bloemen en door de gerimpelde vruchtjes.

uit aen penwortel komen een aantal zwakke stengels, die liggen, doch zich aan den top min of meer verheffen. Zij zijn, evenals de andere deelen der plant, met afstaande, soms klierdragende haren van 2-erlei soort bedekt, nl. met kortere, dichter opeenstaande en daartusschen langere. De onderste bladen zijn langgesteeld, de hoogere korter, de onderste zijn rondachtigniervormig, 7-9-spletig, met langwerpige, naar voren ingesneden slippen, de hoogere zijn 5-lobbig met lancetvormige lobben. De steunbladen zijn dunvliezig, eirond, toegespitst.

De bloemstelen staan tegenover de bladen, zijn 2-bloemig, langer dan de bladen, vaak

korter dan de bloemsteeltjes, die tijdens den bloei rechtopstaan, doch zich later ombuigen en zich dan onder den kelk zoo krommen, dat de vrucht rechtopstaat. De bloemsteeltjes zijn 3 a 4 maal zoo lang als de kelk. De kelkbladen zijn bijna elliptisch, spits, met een kort stekelpuntje, zij staan uitgespreid en dragen lange, uitgespreide haren. De kroonbladen zijn iets langer dan de kelk, omgekeerd hartvormig, rose, met korten, gewimperden nagel, zij zijn iets grooter dan bij G. pusillum. De vruchtjes zijn onbehaard, gerimpeld (fig. 439). 1-4 dM. O, soms ook OS. Mei—September.

De plant riekt in verschen toestand naar muskus.

Biologische bijzonderheden. De bloemen zijn zwak protrandrisch. Als de bloem open gaat, liggen de stempeltakken nog tegen het centrale zuiltje, (fig. 440), zoodat de plaats, geschikt voorstuifmeelopneming, nog bedekt is. Ook de helmknopjes zijn nog gesloten. Nu buigen zich de binnenste meeldraden na elkaar naar binnen, de knopjes leggen zich op den top der

ueramum molle

Fig. 439.

') molle = zacht.

Sluiten