Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Biologische bijzonderheden. Dc klierachtige beharing beschut de plant tegen slakkenvraat, ook de onaangename geur maakt, dat zij weinig door dieren gegeten wordt.

Waaraan zij haar geheel onverdienden roep als middel tegen oogziekten te danken heeft, is onbekend.

Omtrent den bouw der bloem in verband met de bestuiving hebben de nieuwste onderzoekingen geleerd, dat bij het opengaan der bloemen de meeldraden zich eerst met de kroonbladen naar buiten bewegen, doch niet medegaan tot deze hunne uiterste standen bereikt hebben. Dan springt een oer helmknopjes open en nu beweegt zich die meeldraad naar binnen en legt zich tegen den stamper. De andere buitenste meeldraden doen achtereenvolgens hetzelfde en in dien tusschentijd buigen zich de binnenste meeldraden nog verder naar buiten en doen dan ook hetzelfde tot alle tegen de stijlen liggen. Dit alles is binnen een uur, nadat de bloem s morgens tegen 8 uur is opengegaan, geschied.

Toen de bloemen opengingen, stonden de stijlen rechtop, alleen de bovenste deelen met de stempelvlakten vormen reeds een sterretje en die stempels zijn al geschikt om stuifmeel op te nemen, hetgeen zij dan ook van de er tegenaan gedrukte meeldraden ontvangen. De stijltoppen krommen zich nu sterker en steken al tusschen 12 en 1 uur sterk boven de helmknoppen uit, die trouwens nu ook geen stuifmeel meer hebben. Tegen 2 uur bewegen de kelkbladen zich meer naar buiten en de kroonbladen vallen nu al spoedig af, daarna bewegen de kelkbladen naar binnen en leggen zich tegen de stampers.

Al die bewegingen geschieden bij bewolkte lucht en bij regenachtig weer veel langzamer en dan gebeurt het wel, dat de kroonbladen eerst op den derden dag afvallen.

Is op de genoemde wijze voor zelfbestuiving in de bloem gezorgd door insecten kan ook kruisbestuiving plaats hebben. De insecten komen'in de bloemen honig halen, die trouwens moeilijker te verkrijgen is dan b.v. bij G. pratense en G. sanguineum, want ieder der rechtopstaande nagels der kroonbladen draagt aan de binnenzijde een 4 mM lange lijst, die tegen een helmdraad der binnenste rij meeldraden ligt. Er zijn daardoor 5 smalle toegangen tot den honig, die zich aan den kelkvoet bevindt. Alleen insecten met een slurf van 6 mM lengte zijn in staat hem te bereiken. Zij raken dan in jongere bloemen met de bovenzijde van hun lichaam de helmknopjes en in oudere de stempels aan, die daar omstreeks op dezelfde plaats liggen als in jongere de helmknopjes en bewerken dus kruisbestuiving Tegen regen is de honig hier niet door haren beschut, doch dit is ook onnoodig, daar eerstens de nauwe kanaaltjes moeilijk waterdruppels door laten en bovendien de bloemen zich bij regen ombuigen.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa in bosschen, kreupelhout en heggen en op ruige plaatsen voor. Bij ons is zij algemeen op zandgronden o.a. in de duinstreek veel en ook op löss in Zuid-Limburg. Op kleigrond komt zij ook tamelijk veel voor, zelden od veengrond. p

Volksnamen. Verschillende volksnamen zijn voor haar bekend, zoo noemt men haar in Groningen rood remke, op Walcheren stinkerds, op ZuidBeveland donderbloempje, in Zeeuwsch-Vlaanderen boksdoorn (boks- naar den geur) en in Zuid-Limburg speldenkruid.

Sluiten