Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— TEREBINTHACEAE. —

FAMILIE 54.

vallen, zoodat hier tegen het einde van den bloeitijd nog spontane zeifbestuiving mogelijk is (sommige onderzoekers meenen echter, dat deze niet plaats kan hebben).

Voorkomen en gebruik. De plant behoort thuis op dorre heuvels, rotsen en oude muren in Zuid-Europa. Bij ons wordt zij als sierplant gekweekt en is een enkele maal, bij Breda, verwilderd gevonden. Zij stond in hoog aanzien als geneesmiddel en als middel tegen beten van vergiftige slangen.

Familie 54. Terebinthaceae D. C.

Houtige gewassen. Bladen soms met steunbladen. Bloemen regelmatig klein, vaak zijn de planten, doordat de meeldraden of de stampers niet ontwikkeld zijn, I- of 2-huizig. Kelk meest onderstandig, 3-5-tandig. Kroonbladen met de kelktanden afwisselend, in den knop dakpansgewijze of klepvormig liggend. Meeldraden evenveel of dubbel zooveel als kroonbladen. Helmknopjes naar binnen openspringend. Stijlen meest ontbrekend, soms verbonden of gescheiden. Vrucht meest steenvruchtachtig. Zaden zonder kiemwit.

Bij de groep der Rhoeae, waartoe het geslacht Rhus behoort, heteenige, dat hier vermeld dient te worden, staan de bladen verspreid, is de kelk 5-spletig, zijn er 5 kroonbladen en meeldraden op een onder het vruchtbeginsel staande schijf ingeplant, wisselen de meeldraden in stand met de kroonbladen af en is er meest slechts 1 vrucht, soms nog met 2-4 tot stijlen gereduceerde. Het vruchtbeginsel bevat 1, zelden 2-3 eitjes op een tot aan den top van het vruchtbeginsel opstijgenden steel. Het zaad is half omgekeerd. De steenvrucht is droog, meest eenzadig. De zaadlobben zijn platbol.

1. Rhus ') Trn.

Planten 2-huizig of veeltelig. Kelk 5-tandig, met ovale, stompe tanden. Kroonbladen 5, grooter dan de kelk. Meeldraden 5 met ovale helmknoppen. Stijlen 3, met knopvormige stempels. Steenvrucht 1-zadig, bij rijpheid bruinpurper wordend. Bloemen groen- of geelachtig, in eindelingsche pluimen. Bladen afvallend, samengesteld. Heesters of kleine boomen.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Rhus.

A. Bladen langgesteeld, 3-tallig. Planten veeltelig R. Toxicudendron blz. 381.

B. Bladen oneven gevind, 8-12-jukkig. Planten 2-huizig It. tvphioa blz. 380.

R. lyphina2) l. Azijnpruikenboom.

Deze plant heeft een rechtopstaanden, vertakten, naar boven, evenals de bladstelen en pluimen dicht klierachtig behaarden stengel. De bladen zijn kortgesteeld, groot, oneven gevind, 8-12-jukkig. De blaadjes zijn zittend, langwerpig-lancetvormig, gezaagd, toegespitst, van boven donkergroen en glanzend, van onderen blauwgroen, fijn behaard of bijna kaal.

De bloemen staan in een eindelingsche, dichte pluim en hebben geelachtig witte kroonbladen. De vrucht is purperrood, dicht lang behaard. Ij. 3-6 M. Juni, Juli

') waarschijnlijk van 't grieksche rous: rood, hetgeen dan zou slaan op de kleur der rijpe vrucht. -') typhina = typhaachtig, om de overeenkomst der vruchtpluim met

de bloeikolf van Typha.

Sluiten