Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Biologische bijzonderheden. De meeldraden en kroonbladen staan in de geopende bloemen zoo wijd uit, dat het honigafscheidende kussen om het vruchtbeginsel in den zonneschijn glanst, waardoor insecten gelokt worden. Voor vlinders en Iangsnuitige hommels ligt de honig te open, doch het wemelt op de bloemen van kortsnuitige insecten. De bloemen zijn protrandrisch. De helmknopjes springen naar buiten open, doch de stempel is eerst verscheiden dagen later geschikt om stuifmeel op te nemen en sluit zich na de bestuiving weer, zoodat zelfbestuiving geheel is uitgesloten.

De vrucht is menierood en valt daardoor sterk op aan vogels. Ook als zij is opengesprongen, lokken de oranjekleurige zaadmantels deze dieren, die het vleezige deel opeten en het eigenlijke zaad verspreiden.

Voorkomen in Europa en in Nederland. Deze heester komt in bosschen en heggen in geheel Europa voor en is bij ons vrij algemeen, vooral aan den duinzoom, doch verder ook op diluvialen zandgrond en op löss.

Volksnamen. Behalve de naam kardinaalsmuts, die op vele plaatsen in gebruik is en slaat op den vorm der vrucht, is ook de naam papenmuts vrij veel in gebruik (dit slaat natuurlijk op hetzelfde), verder heet de heester heier in Groningen, papenkul in de Graafschap Zutphen, papenhoed op Walcheren, kruishout in Twente, popkullen en poppendopjes in OostDrente, spilboom ook aldaar en tevens in Salland en den Achterhoek van Gelderland, vogelkers in Salland, waterhout in de Graafschap Zutphen, wilde koffieboonen in Noord-Limburg en eindelijk pennenholt in Twente, omdat de schoenpennen ervan gemaakt worden.

Familie 59. Aquifoliaceae D. C. Hulstachtigen.

Bladen gesteeld, ongedeeld, steeds groen, zelden alleen des zomers groen, glanzend. Bloemen meest onvolledig 2-huizig. Kelk onderstandig, 4-9-spletig of -deelig, evenals de aan den voet meest verbonden kroonbladen in den knop dakpansgewijze liggend. Meeldraden voor de kelkbladen staand. Vruchtbeginsel 2-20-hokkig, de hokjes ieder met 1 hangend eitje. Stempel zittend, min of meer duidelijk gelobd. Zaden met kiemwit.

1. I'lex ') L.

Bloemen met 4- (zelden 5- of 5-9-)spletigen kelk, stervormige, diep 4- (5-9-)spletige bloemkroon, een even groot aantal meeldraden en een stamper met een stompen 2-20-lobbigen stempel, die in de mannelijke bloemen weinig ontwikkeld is. De vrucht is een steenvrucht met 4 (2-20) steenen.

De bladen zijn altijd, zelden alleen des zomers, groen, van boven donkergroen, zeer glanzend, van onderen lichtgroen en doffer.

I. Aquifólium2) L. Hulst (fig. 467).

De plant is een kale heester of boom met zeer hard hout en jongere,

:) Dit was oorspronkelijk de naam voor een soort eik, nu Quercus Ilex. Toen deze in het geslacht Quercus was overgebracht, werd de naam op de hulst overgebracht, waarvan de bladen even stevig waren als van Q. Ilex. De beteekenis van Ilex is twijfelachtig.

-) Aquifólium = naaldblad.

Sluiten