Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spitse, grof stekelpuntig getande lobben, zijn van boven donkerder groen dan van onderen glanzend, meestal onbehaard, zeldzamer behaard of viltig en hebben afvallende steunblaadies' De bloemen staan in dichte pluimen tegenover de bladen, zijn regelmatig klein geelgroenachtig, welriekend (eenigszins als Reseda). De Dluimen staan -ore» rL-h.™' ,wh

Familie 61. Rhamnaceae R. Br. Wegedoornachtigen.

Soms gedoomde heesters of boomen. Bladen gesteeld, enkelvoudig, gaafrandig met afvallende steunblaadjes. Bloemen meest 2-slachtig, doch' soms 1-slachtig (2-huizig). Kelk meest onderstandig, 4-5-spletig. Kelkslippen evenals de kroonbladen in den knop klepvormig liggend. Kroonbladen op een schijf ingeplant, die den voet van het vruchtbeginsel omgeeft. Meeldraden 4 of 5, voor de kroonbladen staand. Vruchtbeginsel 2-5-hokkig. Is het aantal hokjes gelijk aan dat der kelkslippen, dan staan zij tegenover deze. leder hokje bevat 1 eitje. Stijl 2-5-spletig of ongedeeld. Vrucht meestal meer-, zelden 1 -hokkig, een steenvrucht, een doosvrucht of een zich in verscheidene, van een centraal zuiltje loslatende, deelvruchtjes splitsende vrucht. Zaden met weinig kieinwit.

Tabel tot het determineeren der geslachten van de Rhamnaceae.

A. Planten onvolledig 2-huizig. Kelk 4- (zelden 5-)spletig, de zoom na den bloeitijd grootendeels afvallend. Kroonbladen 4 (of 5), ongenageld. Meeldraden 4 (of 5). Stijl 2-4-(5-)spletig. Steenvrucht met 1-5 eenzadige steenen. Zaden aan de zijde, die tegenover het midden der vrucht staat, diep gegroefd. Zaadlobben evenwijdig aan die groeve gekromd, dun, bij de ontkieming bladachtig boven den grond komend.

„ e Rhamuns blz. 392. b. Bloemen 2-slachtig, 5-tallig. Kroonbladen genageld. Stijl ongedeeld met knopvormigen stempel. Zaden vlak, lensvormig-driehoekig. Zaadlobben dik, bij de ontkieming in de steenschaal blijvend. Overigens als Rhamnus Krangula blz. 393.

1. Khaninus ') Trn R. catarctica'J) L. Wegedoorn (fig. 469).

Deze is een heester met zwartachtig bruine takken, die tegenover elkaar

') misschien van het Qrieksche rabdos: roede, hetgeen zou slaan op de buigzaamheid der takken, volgens anderen van het Grieksche ramnos: doornstruik, van het Keltische ram: struik. -') van kathaizoo: reinigen, hetgeen bij plantennamen, evenals het Latijnsche purgare, steeds de beteekenis heeft van afvoeren, hetgeen slaat op de purgeerende werking.

fluimen Maan eersi recniop, doen

hangen later. De kelk is eenbladig met 5 korte, afvallende tanden. De bloemkroon bestaat uit 5 bladen, die eerst aan den top en den voet vergroeid zijn. Zij wordt door de zich uitzettende en strekkende meeldraden als een kapje opgetild en valt af. Meeldraden zijn er 5 tegenover de kroonbladen, zij wisselen met klieren af. Er is op het vruchtbeginsel een zeer korte stijl met een knopvormigen stempel. De besvrucht is ovaal of bolrond, donkerblauw of groenachtig, bij de wildgroeiende plant zuur, zij is 1-hokkig met 5 zaden, waarvan er echter 1 of meer onontwikkeld blijven (fig. 468). Tot 9 M. i>. Juni.

De bloempluimen en de ranken staan eigenlijk eindelings, doch worden door een tak, die den stam schijnbaar voortzet en die uit den okselknop van het blad is ontstaan, terzijde gedrongen.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De wijnstok behoort thuis in de bosschen van ZniH-Fumna «n h„.

Vitis vinifera Fig. 468.

Levant. Hij is reeds in zeer oude tijden aangekweekt, ook bij ons om de druiven en is soms verwilderd gevonden b.v. in rotsspleten van den St. Pietersberg.

Sluiten