is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel gaaf rand ig en hebben aan weerszijden der middennerf 6-12 biina evenwijdige, rechte zijnerven, zij zijn beneden op de nerven behaard. De steunblaadjes zijn half zoo lang als de behaarde bladsteel.

De bloemen zitten in armbloemige bundels (okselstandige, zittende biischermen) en zijn groenachtig wit. De kelk is bijna klokvormig (tig. 470) met 5 lancetvormige, spitse, rechtopstaande, witachtige slippen, die even lang als de kelkbuis zijn. De kroonbladen zijn 5 in getal, klein 2-spletig witachtig, korter dan de kelk, kortgenageld met breed eironde, spitse, met de randen naar binnen gebogen plaat. Er zijn 5 naar binnen samenneigende mee draden en een vruchtbeginsel met een dikken, korten stijl en een zwakken, 2- of 3-lobbigen stempel. De steenvrucht is bolrond en zit op den vlakken kelkvoet. Zij is eerst rood, later zwart, iets vleezig en bevat of 3 naar beneden versmalde en aan den top met een kleine ^roeve voorziene, bruinachtige zaden.

Biologische bijzonderheden. De bloemen vallen door haar kleur weinig °P- doch door de schijf om het vruchtbeginsel wordt vrij wat honig afgescheiden. Zij zijn meest protrandrisch, want als de naar binnen openspringende helmknopjes hun stuifmeel loslaten, is de stempel nog meestal weinig ontwikkeld. De stempel staat lager dan de helmknopjes. Het insectenbezoek is natuurlijk niet groot, doch komen zij, dan bewerken zij kruisbestuiving, legen het einde van den bloeitijd valt er ook stuifmeel op de dan riipe stempels en heeft er dus zelfbestuiving plaats.

Voorkomen en gebruik. Deze heester komt in kreupelhout en in bossclien, vooral in Midden- en Noord-Europa voor en is ook bij ons op dergelijke plaatsen algemeen. De bast dient als purgeermiddel, uit het hout wordt een fijne houtskool gemaakt, o. a. voor buskruit.

Volksnamen. Groot is het aantal namen, dat voor dezen heester in gebruik is. In het Oosten van Overijsel en Gelderland gebruikt men de namen bloedhout en kruidhout, in Friesland bijspijlenhout en honnebeishout, in Zuid-Holland boerenrabarber, laxeerbast en rambasjes, in Oostelijk Drente doodskralen en daar en in het Oosten van Gelderland en Overijsel sprakel, in Waterland basjes, in Noord-Limburg duivelskersenhout en pinnenhout,' in Zuid-Limburg hondebeien en hondskersenhout, in het Oostelijk deel van Noord-Brabant honzehout, in Salland en de Graafschap Zutphen sporkenhout en wakelenhout, in Utrecht en Groningen stinkboom, bij Staphorst vuilbessenhout, terwijl eindelijk de naam vuilboom, die natuurlijk ook slaat op de purgeerende eigenschappen, vrij algemeen gebruikt wordt.

Familie 62. Euphorbiaceae Juss. Wolfsmelkachtigen.

Bloemen steeds eenslachtig. Bloembekleedsels onderstandig, vaak onvolkomen of geheel ontbrekend. Helmhokjes met een dwarsspleet openspringend. Vruchtbeginsel meest 3- of 2-hokkig, ieder hokje met 1 of 2 hangende, omgekeerde eitjes, die aan den top een vleezig aanhangsel hebben. Stijlen en stempels gescheiden of verbonden. Vrucht meest 3- of 2-knoppig, de deelvruchtjes bij rijpheid loslatend van een centraal blijvend zuiltje zelden steenvruchtachtig. Kiem meestal recht, in de as van het vleezig kiemwit liggend.