Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De stengel deelt zich bijna steeds in een scherm met verscheiden stralen en die stralen verdeelen zich weer in takken met gaffelvormige takjes aan wier top dan de straks beschreven schijnbloemen staan. De schermen hebben aan den voet een krans van schutbladen, die wij in het vervolg het omwindsel zullen noemen, terwijl onder de schermpjes een 2 tal schutbladen zitten, die wij in de verdere beschrijvingen als omwindseltjes zullen aanduiden.

De stengelbladen zijn afwisselend of tegenoverstaand geplaatst, zijngaafrandig of fijn getand.

De planten hebben een wit, vaak zeer vergiftig melksap, dat besloten is in melkhuizen, d. z. dunwandige, vertakte, vaak netvormig verbonden buizen, die door alle deelen der plant Ioopen.

Biologische bijzonderheden. Het vergiftige melksap beschut de planten tegen het opvreten door dieren, doch de rups van den wolfsmelkpijlstaartvlinder is daartegen geheel bestand, want die eet de bladen dezer planten.

Het stuifmeel in de bloemen is tegen regen beschut, daar de helmknopjes zich dan sluiten, ook zijn de bloemstelen dan vaak overgebogen bv. bij E. Cyparissias.

In verband met de bestuiving het volgende. De klieren van den bloembeker scheiden honig af. De biologisch als een bloem op te vatten bloeiwijze daarbinnen is sterk proterogynisch (zie echter E. palustris). De 3 tweespletige stempels treden het eerst uit den bloembeker en nu heeft er kruisbestuiving door insecten plaats uit oudere bloemen. Eerst als het vruchtbeginsel aan een langen gebogen steel uit de bloem steekt, groeien geleidelijk en na elkaar de meeldraden aan en nemen de plaats der stempels in. Bestuiving heeft uitsluitend door vliegen plaats, al komen wel eens kevers, wespen en bijen de bloemen bezoeken.

De zaden hebben een groot aanhangsel aan den voet, dat gaarne door mieren gegeten wordt en worden zoo door deze verspreid.

Volksnamen. In Friesland noemt men de soorten van dit geslacht duivelsdrek, in Oost-Gelderland bollenkruid.

Tabel tot het d eter m i ne e re n der soorten van het geslacht Euphorbia.

A. Bladen tegenoverstaand, ongelijkzijdig, met steunblaadjes (ondergeslacht Anisophyllum Roep.). Stengels liggend, herhaald gaffelvormig vertakt. Bladen klein. Bloembekers okselstandig, alleenstaand Chamaes.vce blz. 398.

B. Stengel bebladerd, niet geleed. Bladen met een doorschijnenden, vaak getanden rand omgeven. Bloemtakken een scherm vormend, dooreen aantal omwindselbladen gesteund, daaronder vaak nog trosvormig gerangschikte in de oksels der bovenste stengelbladen. Iedere tak draagt 2 (bij E. platyphyllos en E. helioscopia meest 3) schutblaadjes (omwindseltje), uit wier oksels meest een herhaalde gaffelvormige vertakking plaats grijpt, die eindigt in de schijnbloemen. Blaadjes van de omwindseltjes vaak ongelijkzijdig, de bovenste vaak gekleurd. Alle soorten, beh. E. dulcis, met een wit scherp melksap, dus vergiftig (onder geslacht Tithymalus Tm.).

a. Bladen verspreid.

aa. Zaden glad.

aaa. Klieren van den bloembeker rondachtig-dwars ovaal.

"• Stengel zonder onvruchtbare takken. Scherm 3-5-stralig. Schutblaadjes ruitvormig-driehoekig of eirond, aan den voet nauwelijks versmald of afgeknot, meest ongekleurd. Doosvrucht wrattig. aa. Bovenste bladen met iets hartvormigen voet zittend.

aan. Bladen van voren fijn gezaagd, de bovenste spits. Scherm met langwerpig-lancetvormige omwindselbladen en eerst 3-

Sluiten