Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

glanzend. Bij de mannelijke plant zijn de bladen iets langer gesteeld en breeder dan bij de vrouwelijke, bij beide zijn de bovenste bladen smaller dan de onderste. Aan den voet der bladstelen staan kleine steunblaadjes.

i T:a J „ i_i i« « « ....

uii ue DiaaoKseis Komen Dij de mannelijke plant de lange, draadvormige bloemstelen, die meer naar den top tot kluwens vereenigde, groenachtige bloemen dragen. Bij de vrouwelijke plant staan de kortgesteelde bloemen in de bladoksels, tot armbloemige bijschermen vereenigd. De doosvruchten zijn 3-4 mM breed, met spitse een haar dragende kleurlooze borstels bezet (fig. 489). De zaden zijn eirond, zwak rimpelig, lichtbruin, kleiner dan bij M. perennis. 22-60 cM. O. Juni—Herfst, soms zelfs in den winter.

De plant wordt bii het dropen hl Pliwarhtinr

meest iets metaalglanzend, hoewel niet zoo sterk als M. perennis.

Biologische bijzonderheden. Volgens Kerner kunnen bij deze plant de eitjes zich ook zonder bevruchting tot zaden ontwikkelen, althans bij het kweeken van vrouwelijke planten in potten, waarbij op alle mogelijke wijzen was gezorgd, dat er geen stuifmeel van mannelijke bij kon komen, is zaadvorming waargenomen. Natuurlijk is daarbij ook rekening gehouden met het feit, dat aan vrouwelijke planten soms enkele mannelijke bloemen voorkomen.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa in bouw- en moesland voor, ook wel aan heggen en ruigten en is bij ons algemeen. Ascherson en Graebner houden haar voor een vroeger als artsenijgewas gekweekte plant, die verwilderd is, doch nu geheel is ingeburgerd.

Volksnaam. In Gelderland is de plant op verschillende plaatsen als smeerwortel bekend.

M. perénnis j) L. Overblijvend bingelkruid (fig. 490).

De plant is kaal of kort ruw behaard. Zij heeft een kruipenden wortel¬

stok, die uitloopers vormt, waaruit verschillende stengels komen. Deze zijn onvertakt, stomp vierkant, meest opstijgend, naar beneden niet bebladerd, boven met bladparen bezet. De bladen zijn gesteeld, langwerpig-eirond tot elliptischlancetvormig, kort toegespitst, gezaagd-gekarteld. Zij zijn eerst geelgroen, later donkergroen. Zij hebben kleine, spitse, vliezige, neergebogen, gaafrandige en blijvende steunbladen. De mannelijke planten hebben langere, smallere bladen dan de vrouwelijke.

De mannelijke bloemen staan vrij ver uiteen, in kluwentjes, aan lange stelen, die in de bladoksels staan. De vrouwelijke 7.iin InnororpQfpplH

en alleenstaand in de bladoksels. De doosvruchten zijn 6-8 mM breed, ruw behaard. De zaden zijn 3mM, bolrond, rimpelig, grijswit (fig. 490) 22-30 cM. 2J.. April, Mei.

') perennis = overblijvend.

Mercurialis annua

Fig. 489.

Mercurialis perennis

Fig. 490.

Sluiten