Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel zijn daar de buitenste schermpjes 2-slachtig, de binnenste mannelijk.

Bij de verschillende soorten is er trouwens in dat opzicht nog al wat verschil waargenomen. Ook heeft men zuiver vrouwelijke bloemen gevonden (Pimpinella magna en Saxifraga, Daucus, Heracleum).

Zwak protrandrische soorten als Aethusa, Caucalis, Torilis helvetica, Scandix en Anthriscus vulgaris hebben weinig opvallende bloeiwijzen. Daar komt dan ook zelfbestuiving voor door naar binnen buigen der helmknopjes (zie bij Scandix).

Behalve de kruisbestuiving der bloemen der eene plant door die eener andere, komt bij de Umbelliferae door het dicht bijeenstaan der bloemen in de bloeiwijze ook vaak kruisbestuiving van de eene bloem eener bloeiwijze door een andere voor, hetzij dat insecten van een jongere bloem, dus aan de binnenzijde van het scherm gelegene, overgaan opeen oudere, meer naar buiten gelegen bloem, hetzij dat de meeldraden, als zij uitsteken, de stempels van naburige bloemen raken, hetzij eindelijk dat het stuifmeel uit hoogere bloemen valt op de stempels van lagere. Van dergelijke gevallen zal bij de beschrijving der soorten wel melding gemaakt worden.

Vele Umbelliferae zijn in alle deelen der plant goed beschut tegen het opvreten door dieren. De onderaardsche deelen, die bij vele gedurende den winter heel wat voedsel bevatten en door insecten, larven en muizen zouden worden opgegeten, bevatten vaak sterk giftige alkaloïden of sterk riekende stoffen. De bovenaardsche deelen bevatten ook vaak vergif of hebben een sterken geur, terwijl sommige, zooals Torilis Anthriscus en Pastinaca door vijlborstels of kalkafzetting ook tegen slakkenvraat beveiligd zijn. Eindelijk zijn ook de vruchten vaak sterk riekend of vergiftig (om den sterken geur worden sommige door den mensch gebruikt b.v. komijn, anijs, venkel, dille).

De kleine deelvruchtjes worden meest door den wind verspreid, vaak zijn zij van vleugels of schubben voorzien, waardoor de oppervlakte vergroot wordt en de wind er zoodoende meer vat op heeft. Soms bezitten ze stekels, die vaak haakvormig zijn omgebogen, zoodat zij aan voorbijgaande dieren blijven hangen en zoo door deze verspreid worden.

Over het afvloeien van het op de planten vallende water het volgende. Bij vele soorten, b.v. bij Angelica en Heracleum, komt het water uit de groeven van bladvlakte en bladsteel niet in de verwijde scheede terecht, maar hoopt zich op tegen een wal, die door de samenneigende toppen der scheede wordt gevormd en droppelt van daar op den bodem. Het water, dat men bij deze planten in de scheeden vindt, is van den bloemstengel naar beneden gekomen.

Van het zaad ligt de kleine kiem aan den voet van het kiemwit en de kleine zaadlobben steken in een met ledige cellen gevulde ruimte, die echter rondom door de met vet gevulde cellen van het kiemwit is omgeven. Als nu de kieming begint, groeien de beide zaadlobben in de lengte, doordringen het losse celweefsel en leggen zich tegen het kiemwit aan, dat daarna uitgezogen wordt.

Voorkomen. Van de Umbelliferae behooren tot de halophyten Apium graveolens, Bupleurum tenuissimum, Oenanthe Lachenalii en Crithmum maritimum. In lage venen en veenweiden behooren thuis vooral Hydrocotyle vulgaris en verder Helosciadium repens en Carum verticillatum. Als hygrophyten moeten verder genoemd worden 1" de geheel of ten deele in Heukels, Flora. 27

Sluiten