Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Biologische bijzonderheden. De bloemen zijn weinig protrandrisch, zoodat spontane zelfbestuiving gemakkelijk plaats heeft, wat ook wel noodig is,

aaar ae weinig opvallende bloemen geen insecten lokken.

Voorkomen in Europa en in Nederland. Deze hygrophyt komt in Zuid- en Midden-Europa tot Skandinavië toe op veenachtigen grond, aan moerassige kanten van slooten en vijvers en op andere vochtige plaatsen voor. Bij ons is zij op dergelijke plaatsen algemeen, ook b v. veel in vochtige duinpannen en verder op diluvialen zandgrond, ook in laagveen.

2. Saniciila ') L.

S. europaea-) L. Heelkruid (fig. 503).

Uit den zwartbruinen, korten wortelstok komt

een niet vertakte, rechtopstaande, dunne, beneden vaak purperrood aangeloopen, onbehaarde stengel, die geen of weinig bladen draagt. Aan den

voei van aen stengel zit een roset van langgesteelde, van boven glanzige, handdeelige wortelbladen, die 3-spletige ingesneden gezaagde slippen hebben.

De stengel zelf draagt meestal 1-2 bijna zittende bladen.

De bloemen zitten in bolronde hoofdjes, die tot een onregelmatig scherm vereenigd zijn met 3-5 zeer ongelijke schermstralen. Ieder hoofdje bestaat meest uit 3 middelste, zittende, tweeslachtige bloemen en daaromheen een krans van 8-10 kortgesteelde mannelijke (bij de meeste Umbelliferae zitten de tweeslachtige bloemen aan de buitenzijde, hier in het midden). Er is een 2-4bladig omwindsel van lancetvormige, vaak vinspletige bladen, terwijl de omwindselties

kort zijn en uit lancetvormige, gaafrandige bladen bestaan. De 5 kelktanden staan opgericht, zijn lancetvormig, genaaid, de kroonbladen zijn roodachtig, samenneigend, naar binnen gebogen, omgekeerd hartvormig. De stijlen zijn verlengd, draadvormig. De vrucht is klein, roodachtig, bijna bolrond, met gebogen stekels bezet, op de dwarsdoorsnede bijna cirkelvormig (fig. 503). De deelvruchtjes zijn biina vergroeid zonder duidelijke ribben, de vruchtdrager is vergroeid met de deelvruchtjes, niet 2-deelig. 30-45 cM. 4-. Mei, Juni.

Biologische bijzonderheden. In het begin van den bloeitijd worden de stijlen der tweeslachtige bloemen bestoven door stuifmeel van andere Sanicula's, dat door insecten overgebracht wordt, doch later strekken zich de helmdraden van die bloemen, die eerst haakvormig naar binnen ge-

') van het Latijnsche sanare: genezen, hetgeen wijst op de geneeskrachtige eigenschappen, die men vroeger aan de plant toeschreef. -') europaea = Europeesch.

Hydrocotyie vuigan»

Fig. 502.

Sanicula europaea.

Fig. 503. a bloem, b vrucht.

Sluiten