Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kromd waren en steken evenals de stijlen, ver uit de bloemen. Daar echter de stijlen rechtopstaan en de helmdraden schuin naar buiten gericht zijn, heeft zelfbestuiving niet plaats, maar wel komen de stijlen der binnenste bloemen met de helmknopjes der buitenste in aanraking en dat nog meer, als de tweeslachtige bloemen verwelkt zijn en de stijlen van deze wijd uiteen zijn gaan staan.

De vruchten worden door dieren, die wollig haar hebben, gemakkelijk meegevoerd en zoo verspreid.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa in bosschen en op beschaduwde plaatsen, doch vooral in de hoogere streken voor. Zij is bij ons zeldzaam. Zij overwintert met groene bladen onder de afgevallen bladmassa der boomen, waaronder zij groeit.

3. Ery'ngium') Tril. Kruisdistel.

Planten met een distelachtig uiterlijk met stijve bladen met stekelige tanden. Kelk met 5 bladachtige tanden, aan den top genaaid. Kroonbladen omgekeerd eirond of langwerpig, uitgerand, met lange, naar binnen gebogen punt. Vruchten omgekeerd eirond, van schubben voorzien, op de dwarsdoorsnede bijna cirkelrond. Deelvruchtjes zonder zichtbare ribben. Vruchtdrager met de deelvruchten vergioeid, in tweeën gedeeld. Bloemen wit of blauw, zittend, een hoofdje vormend, geplaatst op een algemeenen bloembodem, die van strooschubben (schutblaadjes) is voorzien, terwijl om het hoofdje een stekelig omwindsel zit.

Bladen lederachtig, gaaf tot vindeelig. Planten onbehaard met bebladerde stengels.

Biologische bijzonderheden. De tot dit geslacht behoorende planten zijn xerophytisch gebouwd, vooral Eryngium maritimum, die door zeer diep¬

gaande wortels in staat is het water zeer ver uit den bodem te halen en daardoor in het droge duinzand het uitstekend kan uithouden. Bovendien zijn de bladen stevig, lederachtig met een dikke opperhuid en zijn zij ook nog met een waslaagje bedekt, alle middelen om een overmatige transpiratie tegen te gaan.

In de bloemen der hoofdjes is de honig meer verborgen dan bij de meeste andere Umbelliferae. Hij wordt door een 10stralige schijf aan den voet der bloem afgescheiden en is tegen regen beschut door de naar binnen omgeslagen kroonbladslinoen (fis. 504). Die kronnhlaHpn

sluiten dicht aaneen en hebben alleen spleetjes om de meeldraden door te laten. Zoodoende zijn alleen krachtige insecten met een slurf van minstens 3 a 4 mM lengte in staat om bij den honig te komen.

In het begin van den bloeitijd ziet men alleen de met stuifmeel bedekte helmhokjes uit de bloemen steken. De bezoekers nemen daarvan wat mee

') van het Grieksche erygma: oprisping, in verband staande met geneeskrachtige eigenschappen, die de plant zou hebben, of van het Grieksche èryngion, waarmede men verschillende stekelige, halve heesters aanduidde.

Eryngium maritimum

Fig. 504.

/ Bloem voor het opengaan, 2 Bloein dadelijk na de ontluiking, 3 Bloem tegen het einde van den bloei, 4 Honigafscheidende schijf, 5 Kroonblad van binnen, 6' hetzelfde van ter zijde,

vb vruchtbeginsel, s kelk, p kroonblad, a meeldraad, st stempel, g inplanting van den stijl, n honigklier.

Sluiten