Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Europa voor en is bij ons vrij algemeen, ook op niet zilte plaatsen wel. In dit geval zal men echter wel met verwilderde planten te doen hebben, de plant toch wordt veel gekweekt en wel in 2 verscheidenheden: de bladen de knolselderie. Bij de knolselderie is door de kuituur de wortel dik en vleezig geworden.

Volksnamen. In het Oosten van Gelderland en Overijsel heet de plant eppe of boereneppe, in Zeeuwsch-Vlaanderen juffrouwmerk.

6. Petroseluium ') Hottni.

P. sativuma) Hoffm. Peterselie (fig. 509).

De geheele plant is onbehaard, glanzend en sterk riekend. Zij heeft een penwortel,

waarin i een recntopstaande, vertakte, gestreepte, kantige stengel komt. De bladen zijn in omtrek driehoekig, de onderste zijn drievoudig gevind met wigvormig ingesneden gezaagde, van boven glanzige blaadjes, de bovenste zijn 3-talIig. De schermen zijn langgesteeld met 8-20 uitstaande, bijna gelijke stralen. Het omwindsel is armbladig, vaak bestaat het maar uit een blaadje, de omwindseltjes zijn veelbladig. kort, slechts half zoo lang als de bloemsteeltjes. De bloemen hebben geen kelkslippen, de kroonbladen zijn groengeel, gekromd, bijna rond, met een naai binnen gebogen punt. De stijlen zijn teruggeslagen, langer dan het bijna kegelvormige stijlkussen. De vrucht is 1 mM lang, van ter zijde gezien omgekeerd hartvormig, zijdelings samengedrukt, onbehaard (fig. 509). De deelvruchtjes hebben 5 gelijke, draadvormige ribben met een striem in elke groeve. Het zuiltje is 2-deelig. 6-9 dM. OO. Juni, |uli.

Vooral in het eerste jaar, als er alleen maar wortelbladen

zijn, kan de plant met de hondspeterselie verward worden, doch bij de laatste zijn de bladen sterker glanzig en rieken niet.

Biologische bijzonderheid. Merkwaardig is het, dat de bloemen der peterselie zooveel bezocht worden door vliegen, die anders op mest enz. leven. Wat hen daartoe drijft, is nog onbekend.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in het wild in Zuid-Europa op muren en rotsen voor en wordt bij ons veel gekweekt en is soms verwilderd gevonden. Gekweekt wordt bij ons soms de var. crispum-) D. C., waarbij de onderste bladen breedere, aan den rand gekroesde slippen hebben. Deze vorm verdient voor het kweeken de voorkeur, omdat daar verwisseling met de hondspeterselie onmogelijk is.

7. Heloscirïdium4) Kocli Moerasscherm.

Kelktanden 5, zeer kort. Kroonbladen 5, gaafrandig, eirond, vlak met opgerichten of een weinig gekromden top. Stijlkussen bol met korte stijlen. Vrucht eirond of langwerpig, zijdelings samengedrukt, onbehaard. Deelvruchtjes met tegen elkaar liggende randen, met 5 draadvormige, gelijke ribben, iedere groef met een striem. Zuiltje vrij, ongedeeld.

Bloemen wit, in kortgesteelde, 2-12-stralige schermen. Omwindsel ontbrekend of 1-5-bladig. Omwindseltjes veelbladig.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Helosciadium.

A. Ondergedoken bladen dubbel vindeelig met haarfijne slippen, de bovenste gevind, met wigvormige, vaak 3-lobbige blaadjes h. lnundatum lilz. 430.

B. Bladen alle gevind.

') van het Latijnsche petra: rots en selinon: eppe. -') sativum = gekweekt.

■') crispum = gekroesd. i) van het Grieksche helos: moeras en skiadion: scherm, naar de standplaats der planten.

reirosennuzn sativum

Fig. 509.

Sluiten