Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omwindseltjes en door het ontbreken van den peterseliegeur. In den laatsten tijd twijfelt men echter aan de vergiftige eigenschappen der plant.

Biologische bijzonderheden. Volgens sommigen is de plant proterogynisch. In den knop liggen de meeldraden naar binnen gebogen, doch zij strekken zich zoo spoedig de bloem zich opent en groeien daarna ook zoo aan, dat de helmknoppen boven de stempels komen te staan, zoodat het stuifmeel er uit op deze valt en dus zelfbestuiving bewerkt, terwijl in het begin van den bloeitijd alleen kruisbestuiving mogelijk was.

Gewoonlijk zijn alle bloemen eener plant tweeslachtig, doch soms zijn van later ontstaande schermen de buitenste schermpjes 2-slachtig en de binnenste mannelijk.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De hondspeterselie komt in geheel Europa op bouwland, in moestuinen, in bosschen en op ruige plaatsen voor en is bij ons algemeen.

De var. ,3. is bij Deventer, Winterswijk en Hengelo (O.) gevonden.

Volksnamen. Behalve hondspeterselie, gebruikt men op verschillende plaatsen de namen wilde peterselie en kleine dolle kervel. In Friesland heet de plant pijpkruid en wilde kervel. De laatste naam wordt ook gehoord aan den Zoom der Veluwe.

18. Foemculuui ') Trn.

F. capiHaceum -) Gil. (F. officinale:l) All.). Venkel (fig. 534).

De plant is onbehaard, iets bleekgroen en riekt sterk. Uit den vleezigen. spilvormigen

woriei Komt een rolronde, vertakte, krachtige, gestreepte stengel. De bladen zijn veelvoudig gevind met priemvormige, verlengde slippen, bij de bovenste is de scheede langer dan de bladschijf.

De schermen zijn groot, langgesteeld, met 6-12 zeer lange, bijna gelijke stralen. Zoowel het omwindsel als de omwindseltjes ontbreken. De bloemen zijn geel, de kroonbladen bijna vierhoekig, met naar binnen gebogen lobbetje. De stijlen zijn kort en wijken een weinig uiteen, de stijlkussens zijn kegelvormig. De vrucht is langwerpig, ongeveer 4 a 6 inM lang, niet samengedrukt, glad, geelgrijs van kleur (fig. 534). De deelvruchtjes hebben 5 uitstekende, stompe, een weinig gekielde ribben, dezijribben zijn nauwelijks breeder. De groeven hebben ieder een striem. De vruchtdrager is 2-armig. 9-15 dM. OQ ook 2(-. Juli—Herfst.

Biologische bijzonderheid. Zie wat daarover bij Sium is opgemerkt.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Midden- en vooral in Zuid Europa voor op steenachtige plaatsen, doch wordt bij ons veel gekweekt en is ook, doch zeldzaam, verwilderd gevonden.

19. Libanótis4) Crntz.

L. montana') Crntz. Hertswortel (fig. 535).

De plant is onbehaard en blauwgroen. Zij heeft een langen, houtlgen wortelstok, die

') verkleinwoord van het Latijnsche foenum: hooi. Deze naam slaat op de fijne bladslippen, die wel wat van grasbladen hebben, volgens anderen op den geur, dieeenigszins met dien van hooi overeenkomt. -) capillaceum = haarfijn. :1) officinale =

geneeskrachtig. ') van het Grieksche libanootis: wierook, een naam in de Oudheid

aan verschillende riekende Umbelliferae gegeven. •">) montana = berg.

Foenicutum capillaceum

Fig. 534.

Sluiten