Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29. Ciiminuni ') Bauh.

C. Cyminum1) L. Komijn.

De plant is onbehaard en heeft een spilvormigen wortel, waaruit een gestreepte stengel komt. De bladen zijn dubbel gevind met lijn-borstelvormige, spitse slippen.

De schermen zijn 3-5-stralig. Het omwindsel is 2-4-bladig, de omwindseltjes zijn 2-4bladig, naar eene zijde gekeerd, langer dan de vruchten. De bloemen zijn klein, wit rose of purperrood. De kelkzoom bestaat uit 5 Iancet-borstelvormige, ongelijke, blijvende'slippen. De kroonbladen zijn langwerpig, uitgerand, met naar binnen gebogen lobbetjes, de buitenste zijn stralend. De vrucht is zijdelings samengedrukt, ongevleugeld. De deelvruchtjes hebben 5 draadvormige, fijnborstelige hoofdribben en 4 bijribben, die meer uitsteken en fijnstekelig zijn. De groeven zijn 1-striemig, ook zijn er 2 striemen aan de buikvlakte. Het zuiltje is 2-spletig. 15-25 cM. ©. Juni.

Voorkomen. De plant behoort thuis in Egypte, doch wordt in Italië gekweekt en is een enkele maal aangevoerd waargenomen bij Leiden en bij Haarlem.

30. Datlcus3) Trn. Peen.

Kelktanden 5, kort, rechtopstaand. Kroonbladen uitgerand, niet naar binnen gebogen puntje, de buitenste van het scherm stralend, 2-spletig. Stijlen kort. Vrucht eirond of elliptisch, ruggelings samengedrukt, van stekels voorzien. Deelvruchtjes met 9 ribben, n.1. 5 hoofdribben, die draadvormig en borstelig zijn en waarvan er 3 op de rugvlakte en 2 op de buikvlakte liggen en 4 bijribben, die grooter en gevleugeld zijn en met 1 rij stekeltjes zijn bezet. Groeven 1-striemig. Zuiltje vrij, 2-spletig.

Bloemen wit of rose, in regelmatige 8-40-stralige schermen. Omwindsel veelbladig, met vindeelige blaadjes. Omwindseltjes met enkelvoudige of 3-deelige blaadjes.

Planten min of meer ruig behaard, met penwortel.

D. Caróta ) L. Peen (fig. 547).

Deze plant heeft een penwortel, die bij de wilde plant houtig wordt, doch bij de gekweekte in het eerste jaar dik en vleezig is. De stengel is

recntopgaand, gegroefd, stijf behaard met uitgespreide takken. De bladen zijn dubbel of drievoudig gevind met vinspletige, doffe blaadjes en langwerpig-lancetvormige slippen. De bladstelen zijn stijf behaard.

De schennen zijn groot, met 20-40 dunne, bij rijpheid der vrucht naar elkaar gebogen stralen. Het omwindsel en de omwindseltjes zijn veelbladig, de blaadjes van het omwindsel zijn 3- tot vinspletig. Het middelste schermpje bestaat bij de wilde plant vaak slechts uit een vergroote, zwartroode bloem (men houdt het er wel voor, dat die afwijking een gevolg is van een galvorming, die in vorige geslachten zou ziin ge¬

schied, doch nu door overerving blijvend is geworden). De blaadjes der omwindseltjes zijn lijnvormig toegespitst, vliezig gerand, gaaf of 3-deelig. De kroonbladen zijn wit of rose. De vrucht is 4 mM lang, bruin, ellipsoïdisch, met weerhaken, die omstreeks

') Cuminum en Cyminum komt beide van het Grieksche kuminon, dat waarschijnlijk afstamt van kubè: kop, hetgeen evenals Carum slaat op de bloeiwijze aan den stengeltop. -) van het Grieksche daucos, een naam door de Grieken aan verschillende schermbloemigen gegeven, doch waarvan de afleiding onzeker is. •') Carota = wortel.

Daucus Carota Fig. 547.

Sluiten