Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

even breed zijn als de vrucht (fig. 547). 3-9 dM. ©O, ook O. Juni—Herfst.

Biologische bijzonderheden. Evenals bij Aegopodium heeft men ook hier waargenomen, dat in de jongere schermen de buitenste schermpjes 2-slachtige bloemen hebben, terwijl die der binnenste mannelijk zijn. Ook zijn de buitenste bloemen wel vrouwelijk. Zelfs is er een vorm met roodachtige bloemen gevonden, die bepaald vrouwelijk is.

Bij regenachtig weer en bij nacht buigt zich de geheele bloeiwijze, als die nog jong is, naar beneden. Tevens krommen zich de schermstralen en de bloemstelen zoo sterk naar binnen, dat de geheele bloeiwijze meer bolrond wordt. In lateren tijd blijft wel de bloeiwijze rechtopstaan, doch de zooeven genoemde kromming heeft bij droog weer ook plaats. Bij vochtig weer staan dus de vruchtjes uit. Misschien heeft dit beteekenis voor de plant, omdat zij dan door den regen en den wind gemakkelijker verspreid worden.

De vruchten worden trouwens door hare weerhaken ook gemakkelijk door dieren verspreid.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa op grazige plaatsen, aan dijken en wegen voor en is bij ons algemeen op allerlei gronden, vooral ook in de duinen, echter weinig op laag veen. Ook wordt zij veel gekweekt om den wortel.

Volksnamen. Behalve de namen gele peen, gele wortel, pee, peeën, peen, roode wortel en wortel, die veel gebruikt worden, hoort men ook de namen witte bloemen in Drente, paardewortel in Salland, pompwortel in den Achterhoek, moeren en mooreu in Limburg, in Zuid-Limburg ook caroten, in het Land van Hulst boterpee.

In Zuid-Europa komt aan de zeekust voor D. littoralis i) Sibth. (D. muricatus L.), de strandpeen, die zich van D. Carola onderscheidt, doordal de omwindselbladen slechts '/.t van de breedte der schermen hebben en doordat de vruchtstekels haakvormig omgebogen en aan den voet vergroeid zijn. Deze heet in 1828 in de duinen bij Katwijk te zijn gevonden, doch waarschijnlijk is dit niet.

31. Orla.va -') Hoflïn.

0. grandiflóra:!) Hoffm. Straalscherm (fig. 548).

De plant is weinig behaard of kaal, heeft een penwortel en een rechtopstaanden, hoekigen,

vim ucn vuci ui vt-i itihien siengei. L>e onuerste maden zijn gesteeld, 3-voudig gevind met lijn-lancetvormige blaadjes, de bovenste zijn zittend met een vliezige scheede. De schermen staan tegenover de bladen en hebben 5-8 bijna gelijke stralen. Het omwindsel bestaat uit 5-8 lancetvorniige, toegespitste, witvliezig gerande blaadjes, de omwindseltjes zijn veelbladig. De bloemen zijn wit, die aan den omtrek hebben kroonbladen , die wel 7 a 8 maal zoo groot zijn als de andere, dus sterk stralend zijn. De kelk is 5-tandig, de kroonbladen zijn uitgerand met naar binnen gekromd topje, de buitenste zijn 2-spletig, zeer groot, de stijlen zijn langer dan het schijfvormige stijlkussen. De vrucht is eirond, ruggelings samengedrukt, vrij groot (8 mM lang), naar den top versmald (fig. 548). De deelvruchtjes zijn 9-ribbig, de 5 hoofdribben zijn draadvormig, borstelig, de 4 bijribben zijn gekield en gewapend met 2-3 rijen stekels. Het zuiltje is vrij, 2-spletig. De groeven hebben ieder 1 striem.

Biologische bijzonderheden. Vaak zijn de middelste bloemen der schermpjes mannelijk, ') littoralis = strand. -) naar J. Orlay, geneesheer te Moskou. :l) grandiflóra = grootbloemig.

Orlaya grandiflóra

Fig. 548

Sluiten