Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa in heggen, kreupelhout en op ruige plaatsen voor en is bij ons algemeen.

T. microcarpa') Bess. var. aculeata-) Boiss. Kleinvrucht-doornzaad.

Deze plant heeft een ruwen, rechtopstaanden, afstaand vertakten stengel. De bladen zijn dubbel gevind met lijnvormige slippen, het topblaadje is niet verlengd.

De schermen zijn langgesteeld, 7-10-stralig. De schermstralen en de bloemsteeltjes zijn aangedrukt stijfbehaard. Het omwindsel is 5-7-bladig, de blaadjes zijn borstelig. De omwindseltjes bestaan uit lijn-borstelvormige blaadjes, die bijna zoolang zijn als het schermpje en dicht ruw behaard. De kroonbladen zijn stralend. De vrucht is eirond, de stekels zijn veel korter dan de doornsnede der vrucht, naar boven gekromd, doch aan den top niet haakvormig omgebogen. 6-7 dM. 0.

Voorkomend in Europa en in Nederland. De plant komt in Europa in Zuid-Rusland en Hongarije voor en is bij Deventer aangevoerd waargenomen.

T. helvética ;) Gmel. (T. infésta 4) Koch.). Zwitsersch doornzaad (fig. 553).

De stengel is opstijgend en beneden vaak rood aangeloopen. Hij is meestal van den voet af vertakt met wijd uitstaande takken. Zoowelstengel

als takken zijn door aangedrukte haren ruw. De onderste bladen zijn dubbel gevind, de bovenste enkel gevind of 3-tallig met verlengd topblaadje. De blaadjes hebben een lang uitgerekten, ingesneden gezaagden top en zijn door de aangedrukte beharing dofgroen en voelen er scherp door aan.

De schermen zijn langgesteeld, 3-8-stralig met ruwe stralen. Het omwindsel is 1-bladig of ontbreekt. De schermpjes zijn klein met veelbladige omwindseltjes van lijnvormige blaadjes. De kroonbladen zijn wit of rose, door den naar binnen gebogen top uitgerand, de buitenste zijn aan den omtrek stralend. De stijlen zijn nauwe¬

lijks zoo lang als of iets langer dan het stijlkussen, zij staan uitgespreid opgericht. De vrucht is eirond, met bijna rechte stekels bekleed, die aan den top haakvormig zijn omgebogen en bijna even lang zijn als de vruchtdoorsnede (fig. 553). 3-9 dM. OO en O. Juli, Augustus.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Midden- en Zuid-Europa op kalk- en leemgrond, op bouwland, langs wegen en dijken voor, doch is bij ons zeer zeldzaam.

35. Scandix B) Trn.

S. Pécten Véneris'>) L. Naaldekervel (fig. 554).

De plant is verspreid afstaand behaard. Uit den penwortel komt een van den voet af vertakte stengel met uitgespreide takken. Hij is gestreept, vooral naar boven fijn behaard en beneden vaak rood aangeloopen. De bladen zijn in omtrek ovaal, drievoudig gevind met vinspletige slippen en lijn-lancetvormige slipjes. De scheeden zijn opgeblazen met witvliezigen en gewimperden rand.

!) microcarpa = kleinvruchtig. -) aculeata = stekelig. 'O helvetica = Zwitsersch.

') infesta = besmet. -r>) van het Grieksche skandix: kam. Het was vroeger de naam voor Anthriscus Cerefolium, doch slaat voor de rangschikking der vruchten veel beter op deze plant. «) Pecten Veneris = Venuskam.

Torilis helvetica

Fig. 553.

Sluiten