Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zomergroene, houtige gewassen niet ronden stengel en tegenoverstaande gesteelde bladen, waarvan bij onze soorten de zijnerven boogvormig, vrijwel evenwijdig loopen, terwijl de bladranden bij 2 tegenover elkaar staande bladen in elkaar overgaan.

Volksnamen. De plant heet vrij algemeen kornoelje, doch op de Veluwe kenel en knel, op Walcheren kornel, in Zeeuwsch-Vlaanderen kernoelje, in Zuid-Limburg konkernel.

Biologische bijzonderheden. Evenals bij Hedera ligt de honig geheel open en wordt door een den stijl omgevenden ring afgescheiden. De meeldraden en stempel zijn tegelijk ontwikkeld. De helmknopjes springen naar binnen open en staan een eindje van den stempel af, zoodat grootere insecten, die hun kop naar de honigafscheidende schijf bewegen aan de eene zijde een of 2 helmknopjes, aan de andere zijde den stempel aanraken en dus bij opeenvolgend bezoek in verschillende bloemen kruisbestuiving bewerken. Kleinere vliegen en kevers kruipen in de bloemen rond, bewerken dus nu eens kruis-, dan weer zelfbestuiving. Soms heeft ook kruisbestuiving op naburige bloemen plaats, doordat de meeldraden zich later verlengen en dan de stempels van bloemen in de nabijheid kunnen aanraken.

De bloemen rieken evenals die van den meidoorn naar trimethylamin en worden vooral door zuigende en stuifmeeletende zweefvliegen en gewone vliegen bezocht.

De vruchten worden door vogels, o.a. lijsters, verspreid (zie over de verspreiding van vleezige vruchten door vogels bij de Rosaceae).

Tabel tot het determinceren der soorten van het geslacht Cornus.

A. Bloemen in vlakke, tuilachtige bloeiwijzen c. sanguine» blz. 468.

B. Bloemen in enkelvoudige schermen, door een vierbladig omwindsel omgeven, vóór

de bladen verschijnend, evenlang als het omwindsel c. mas blz. 469.

C. sanguinea') L. Roode kornoelje (fig. 569).

De plant is een heester, soms een kleine boom. De schors van oudere

takken is aschgrauw, groen- of roodachtig, glad of een weinig gescheurd, die der jongere is glad, soms glanzend groen, doch meest bloedrood. Deze kleur komt in herfst en winter meer te voorschijn. De jongste takjes zijn aangedrukt behaard. De takken staan onder een scherpen hoek min of meer rechtop. De bladen zijn tegenoverstaand, kort gesteeld, eirond, toegespitst, gaafrandig, kort behaard.

Uit de toppen der takken komen de gesteelde, vlakke bloeiwijzen, wier stelen en kelken aangedrukt behaard zijn. Aan den voet der vertakkingen staan spoedig afvallende schutblaadjes. De bloemen verschijnen na de bladen en zijn wit. De kelkslippen zijn klein, biina driehoekig en snits Dp

kroonbladen zijn langwerpig-lancetvormig, van onderen behaard, sterk uitgespreid of iets teruggeslagen. De meeste bloemen zijn tweeslachtig, doch men treft er onder ook mannelijke en vrouwelijke aan. De stijl is korter dan de meeldraden. De vrucht is klein (5 mM in middellijn), bolrond,

Cornuc sanguinea Fig. 569.

') sanguinea = bloedrood.

Sluiten