Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelkslippen. De vruchtstelen zijn circa evenlang als de kelk, die de doosvrucht, welke er even uitsteekt, omgeeft.

Biologische bijzonderheden. De witte bloemen zijn protrandrisch (fig. 586). De kelk houdt de kroonbladen zoo dicht bijeen, dat ze een buis vormen,

waarin de honig tegen den regen beschut is. Bij het opengaan der bloemen zijn de helmknopjes nog gesloten en de helmdraden zijn nog kort. Spoedig verlengen er zich 2 en stellen zich zoo, dat de helmknopjes boven op den stempel komen te liggen. Hebben deze hun stuifmeel verloren, dan buigen zij zich naar de kroonbladen om en 2 of 3 andere nemen hunne plaats in. Gedurende den geheelen tijd , totdat ook deze hun stuifmeel verloren hebben (circa 3 dagen) liggen de stempels nog tegen elkaar. Nadat echter ook die meeldraden teruggebogen zijn, ver¬

lengen zich de stijlen, gaan uit elkaar staan en nu komen de stempels juist te staan op de plaats, waar eerst de helmknopjes stonden. Bij insectenbezoek is dus kruisbestuiving verzekerd.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in weiden en bosschen in geheel Europa voor. Bij ons is zij op grazige, beschaduwde plaatsen en in weilanden bij Nijmegen, Dordrecht, op Walcheren, in NoordBrabant en in Limburg soms algemeen. Bovendien vindt men op de geestgronden, vooral om Haarlem, vrij algemeen den gevulden vorm, waarbij de meeldraden in bloemkroonbladen zijn veranderd. Deze zijn verwilderde sierplanten. 1,5-3 dM. 4- Mei, Juni.

Volksnamen en gebruik in vroegeren tijd. De plant heet in Zuid-Holland snikkelaar, in Groningen steenroosjes, op Walcheren sassefrasje, terwijl de gevulde in de geheele duinstreek, ook op Walcheren bekend zijn als Haarlemsch klokkenspel.

De bolletjes dezer plant gelijken wat op blaassteenen en werden dan ook in vroegeren tijd volgens de leer van de signatura rerum als geneesmiddel tegen die ziekte aangewend.

2. Tel li ma ') Lindl.

T. grandiflóra -) Lindl. (fig. 586*).

Deze plant heeft een rechtopgaanden stengel met rondaehtig-liartvormige, gelobde

getande bladen.

De bloemen zijn knikkend, vrij grool en staan in een langen, smallen tros, zij zijn wit of roodachtig wit. De kelk is halfonderstandig, opgeblazen, 5-tandig. Kroonbladen zijn er 5, zij zijn 3-tot vinspletig, teruggebogen. Er zijn 10 meeldraden en het vruchtbeginsel draagt 2-3 vrije stijlen met knopvormige stempels. De doosvrucht is kegelvormig, eenhokkig, 2-3-snavelig, met vele zaden 3-3,5 dM. Mei, Juni.

Voorkomen. De plant behoort thuis in NoordAmerika, doch is bij ons een sierplant. Zij is verwilderd gevonden bij Haarlem en den Haag.

Saxifraga granulata

Fig. 586.

A Bloem in het begin van den bloeitijd, B Bloem in het laatst van den bloeitijd, ax helmknopjes van den buitensten, a-, van den binnensten krans van meeldraden, s stempel.

Tellima grandiflóra

Fig. 586*. a bloem, b kroonblad.

') een anagram van het verwante geslacht Mitella. Heukels , Flora.

-) grandiflóra = grootbloemig.

31

Sluiten