Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C. oppositifólium') L. Paarbladig goudveil (fig. 588).

De plant is donkerder groen dan de vorige, beneden behaard, boven kaal. De stengels zijn zwak, kantig, aan den voet wortelend, verder

opsujgena, aoorscnijnena. L)e stengeibladen zijn kort gesteeld, half cirkelrond, verwijderd gekarteld. De vruchtbare stengels dragen meest 2 paar bladen, zij verdeelen zich aan den top herhaald gaffelvormig en bij iedere vertakking zit een kort gesteelde bloem en verder 2 op stengelbladen gelijkende in den bladsteel overgaande schutbladen.

De bloemen zijn kleiner en minder geel dan bij de vorige. De zaden zijn grooter en langer, bruin van kleur. 5-10 cM. April, Mei, zelden ook Juli.

De geheele plant is kleiner en teerder dan de vorige soort en ook buiten den bloeitijd gemakkelijk door den bladstand aan de dan aanwezige verlengde bladloten herkenbaar.

Soms komen hier ook zuiver mannelijke en zuiver vrouwelijke bloemen voor.

Voorkomen in Europa en in Nederland. In West- en Midden-Europa komt de plant op vochtige plaatsen, aan beekjes voor. Bij ons is zij vrij zeldzaam.

Chry«o8plenium oppositifolium

Fig. 588.

4. 1'arnassia -') Tril.

P. palüstris L. Parnaskruid (fig. 589).

De geheele plant is onbehaard. Uit den korten, wat gezwollen wortel¬

stok, komt een roset van langgesteelde bladen en verder verscheiden 1-bloemige stengels, die rechtopstaand, onvertakt, kantig zijn en in of beneden het midden een stengelomvattend blad dragen. De wortelbladen zijn hartvormig-eirond, gaafrandig, stomp, gespitst, met vaak roode stelen. De bloemen zijn wit, groot, alleenstaand aan den stengeltop. Zij hebben 5 blijvende kelkbladen, 5 witte, doorzichtig geaderde kroonbladen, die afvallen, aan den top iets uitgerand en 3 a 4 maal zoolang als de kelk zijn. Voor de kroonbladen staan (5) bijkroonbladen, die boven 9-13 borstelvormige, aan den top geklierde wimpers dragen. Zij zijn geelgroen van kleur. Meeldraden ziin er 5. zii staan voor de

kelkbladen en verder is er een bovenstandig " b,ikroonbladen me< den stempel, vruchtbeginsel, dat eirond is, uit 4 vruchtbladen is ontstaan en dan ook 4 zittende, blijvende stempels draagt. De vrucht is een ovale, vaalgele, met 4 kleppen openspringende doosvrucht. De zaden zijn langwerpig, bruin, liggen in een netvormig zaadomhulsel en zijn aan sponzige, wandstandige zaaddragers bevestigd. 1,5-3 dM. 4. Juni—September.

Biologische bijzonderheden. De bijkroonbladen, die men gewoonlijk als

Pamassia palüstris

Fig. 589.

') oppositifolium = met tegenoverstaande bladen. Parnassus. :1) palüstris = moeras.

-) plant groeiende op den berg

31*

Sluiten