is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De plant gelijkt veel op E. montanum, doch bij E. roseum zijn de bladen langér gesteeld en deze heeft lijsten op den stengel.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa voor op vochtige, beschaduwde plaatsen, doch is bij ons vrij zeldzaam.

'2. Cl&rkia ') Pursh.

C. pulchélla -) Pursh. C I a r k i a (fig. C03).

Deze plant is kaal. De bladen zijn lijnvormig of lijn-Iancetvormig, spits, gaafrandig. De bloemen zijn alleenstaand in de bladoksels, groot. De kroonbladen hebben een 3-spletige of 3deelige, licht purperkleurige of witte plaat, die wigvormig in den nagel versmald is en aan weerszijden in het midden van den nagel een smalle, omgebogen tand heeft. Van de 8 meeldraden hebben meest alleen de 4 tusschen de kroonbladen staande, vruchtbaar stuifmeel. De zaden zijn klein. 3-6 dM. O. Juli—September.

Ctarkïa pulchélla Voorkomen. De plant behoort in Noord-Amerika thuis en komt Fig. 608. b'i ons als sierplant voor. Bij Middelburg is zij verwilderd ge¬

vonden.

3. Oenothéra •') L. (Onothéra Saint Lager). Teunisbloem.

Kelk met verlengde buis, ver verlengd over het vruchtbeginsel, niet 4 na den bloeitijd afvallende slippen. Kroonbladen 4, gelijk, uitgespreid. Meeldraden 8. Stijl draadvormig met 4 kruiswijs uiteenstaande stempels. Doosvrucht van onderen dikker, veelzadig. Zaden zonder haarkuif. Bloemen bleekgeel, welriekend, zich des avonds openend, in lange, ijle trossen. Bladen verspreid, langwerpig of lancetvormig, getand, soms dieper ingesneden. Zaden onregelmatig, vaak gerand, vrij glad.

Biologische bijzonderheden. Terwijl de bloemknoppen rechtopstaan op rechtopstaande stelen, krommen de laatste zich, zoo spoedig de bloem zal opengaan, zoodat de ingang van deze zijdelings komt te staan. Na den bloeitijd buigen zich de bloemen nog meer naar beneden. Zij zijn geel van kleur en kunnen des avonds nog door vlinders waargenomen worden. Zij openen zich n.l. tegen den avond en blijven den geheelen nacht tot den volgenden voormiddag open, om zich daarna voor goed te sluiten. Ook rieken zij des avonds vrij sterk en er wordt in den voet der zoog. kelkbuis honig afgescheiden.

De teere zoom der bloemkroon is niet geschikt als zitplaats voor de insecten. Het zijn dan ook bijna alleen avond- en nachtvlinders, (vooral Agrotis segetum en Plusia gamma) die, terwijl zij blijven zweven, hun slurf in de lange buis brengen (over dag komen ook bijensoorten met lange slurven).

De inrichting der bloem is dezelfde als bij Epilobium angustifolium en het is de kop der vlinders, die of de helmknopjes óf de stempels aanraakt. Het eenige verschil met genoemde bloem is, dat de stijl hier al een half

') volgens sommigen naar Clark, apotheker in Grantham, onderwijzer van Newton, volgens anderen naar generaal D. Clarke, die den stadhouder Lewis in Louisiana (NoordAmerika) begeleidde. -') pulchélla = fraai.

-1) is afgeleid van het Grieksche oinothèros, een naam, die vroeger aan het geslacht Epilobium werd gegeven. Dat woord schijnt vogeljager te beteekenen, en sloeg daarop, dat de zaden door hun kuif met den wind medevlogen. De naam slaat dus niet op de tegenwoordige Oenotherasoorten, die geen gekuifde zaden hebben.