Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelkbuis. De doosvrucht is lijnvormig, min of meer behaard, recht of eenigszins gekromd en bevat van putjes voorziene zaden. Mei, Juni.

Voorkomen. Deze plant is uit Amerika afkomstig en wordt bij ons in tuinen gekweekt. Bij Leiden en Deventer is zij verwilderd gevonden.

0. Lamarckiana ') Ser. (O. grandiflóra-) Lnik.). Qroote teunisbloem.

Deze krachtige plant heeft vertakte, cylindrische, weinig behaarde, vooral beneden roode stengels. De bladen zijn verspreid, onbehaard, gaafrandig of de onderste aan den voet iets getand en eirond-lancetvormig.

De bloemen zijn bleekgeel, zeer groot en staan aan den stengeltop dicht bijeen. De bloemknoppen zijn spits, kegelvormig. De schutbladen zijn smaller en spitser dan de gewone bladen. De kelk is geel, de buis is iets langer dan de 4 lancetvormige, aan den voet breedere slippen, die aan den top een kort, dik, draadvormig verlengsel dragen. De kroonbladen zijn eirond, bijna evenlang als de kelkbuis, aan den voet wigvormig, veel langer dan de meeldraden. 15-20 dM. 00. Juni—Herfst.

Biologische bijzonderheden. Bij deze soort steken in den knop en later ook in de geopende bloem de stempels boven de meeldraden uit; zij worden noch door deze, noch door hun stuifmeel aangeraakt. In den knoptoestand heeft dus geen bestuiving plaats en in de geopende bloem is deze ook zonder behulp van insecten niet mogelijk.

De O. Lamarckiana is de plant, waarbij Prof. Hugo de Vries het eerst de mutatie-verschijnselen heeft bestudeerd.

Voorkomen. De plant is afkomstig uit Noord-Amerika en bij ons als sierplant aangekweekt. Verwilderd is zij op enkele plaatsen en soms in groote hoeveelheden.

4. Isnardia ') L.

1. palüstris ') L. (Dantia:;) palüstris Karsch.). Waterlepeltje (fig. 611). Deze water- en moerasplant verlangt om te bloeien een slijkachtigen

bodem, die in den zomer zoover uitdroogt, dat de oppervlakte begaanbaar is. Als zij ondergedoken groeit, staat de stengel rechtop, doch de plant bloeit nooit, aan den oever is zij opstijgend of kruipend met bloemdragende takken. De stengel is dun, onbehaard, vierkant, roodachtig. De bladen staan tegenover elkaar, zijn eirond-spatelvormig, spits, gaafrandig, in den langeren of korteren bladsteel versmald, iets vleezig, glanzig.

De bloemen zijn alleenstaand in de bladoksels, kortgesteeld, groen, klein. De kelkbuis is klokvormig, niet over het vruchtbeginsel verlengd, met 4 blijvende, breed lancetvormige slippen. De kroonbladen ontbreken. Meeldraden zijn er

4. Het onderstandige vruchtbeginsel draagt een afvallenden, draadvormigen stijl en een knopvormigen stempel. De vrucht is langwerpig-omgekeerd eirond (circa 4 mM lang), onbehaard, 4-hokkig, veelzadig. De zaden hebben geen kuif. 1,5-3 dM. 2J.. Juli, Augustus.

De plant gelijkt wel wat op Peplis Portula, doch is door de bloemenen de vrij groote, spitse bladen er van te onderscheiden.

Biologische bijzonderheid. De kleine, groene bloemen vallen weinig op, maar doordat in het begin van den bloeitijd de helmknopjes naar den stempel overhellen, is zelfbestuiving vrij zeker.

') Lamarckiana = Lamarck's. -) grandiflóra = grootbloemig.

:1) gewijd aan A. T. Danty d'Isnard, prof. der botanie te Parijs, f 1743.

') palüstris = moeras.

Isnardia palüstris Fig. 611.

Sluiten