Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Vrouwelijke bloemen: kelkbeker vierkant met korte buis, vergroeid met het vruchtbeginsel en met 4 slippen, kleiner dan bij de mannelijke bloemen, kroonbladen zeer klein, teruggeslagen of ontbrekend. Stijl bijna ontbrekend, stempels 4, zeer groot, blijvend, wrattig. Vrucht een steenvrucht, zonder sap, in 4 eenzadige steenen uiteenvallend.

Waterplanten met kransstandige, kamachtig gevinde bladen met haarachtige slippen, zonder steunbladen. Bloemen rose of geelachtig, in afgebroken meest uit kransen bestaande aren, die meestal alleen boven water uitsteken. De mannelijke bloemen vormen het bovenste, de vrouwelijke het onderste deel der aren.

Biologische bijzonderheden. De planten van dit geslacht zijn wat stengels, wortels en bladen betreft, geheel ondergedoken en gebouwd als echte waterplanten. De wortels zitten in het slijk van den bodeni, doch missen de wortelharen. De stengels zijn lang met lange leden, de bladen zijn fijn verdeeld in lijnvormige slippen.

Bij gebrek aan water kunnen de planten ook langeren tijd in de lucht leven, ook ontstaan in zulke gevallen landvormen met kortere leden, kortere, dikkere en breedere blaadjes en uit de stengelknoopen komen dan vele wortels, de plantjes vormen kleine zoden.

De planten overwinteren, doordat aan den top der takken bolronde organen ontstaan, die uit dicht opeengepakte bladen bestaan, welke als de stengel afsterft, op den bodem zinken en het volgend jaar nieuwe planten vormen. Zoo vermenigvuldigt zich dus de plant ook ongeslachtelijk, trouwens ieder stengelstuk, dat van de planten wordt afgerukt, kan zich op een andere plaats weer vasthechten en daar een nieuwe plant vormen. De gewone wijze van vermenigvuldiging door zaad is hier, als bij de meeste waterplanten, niet van groote beteekenis, daar de Myriophyllums vaak niet bloeien.

De stengels en bladen bedekken zich des zomers vaak in stilstaande, kalkhoudende wateren met een laag calciumcarbonaat en als die deelen dan tegen den winter afsterven, zinkt deze kalk, waardoor er geleidelijk lagen van calciumcarbonaat in het water kunnen ontstaan.

De in de lucht zich verheffende bloemen zijn veelal eenhuizig. Beneden zitten de vrouwelijke bloemen, boven de mannelijke. De eerste ontwikkelen zich veel vroeger. In de mannelijke zitten groote, vrij bewegelijke helmknoppen aan dunne helmdraden en de stuifmeelkorrels zijn plat, gemakkelijk verstuivend, en worden door den wind overgebracht op de sterk knobbelige stempels. Ook onder water komen normale, niet kleistogame bloemen voor, die door met het water vervoerd stuifmeel bestoven worden.

Na den bloei duikt de aar steeds onder water, de vruchten rijpen daar, laten los, drijven op het water en worden vaak door watervogels verspreid.

Volksnamen. In vele streken heet de plant duizendblad, in Zuid-Holland vederkruid.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Myriophyllum.

A. Schutbladen alle vinspletig of gevind, even lang als of langer dan de bloemen.

Aren steeds rechtopstaand. Bloemen alle in kransen. Bladkransen 5-6-tallig.

M. verticillatain blz. 506.

Hiertoe behoort ook M. proserpinacoides, met dicht bebladerde, boven het water

uitgroeiende, niet nat wordende loten en 4-5-tallige bladkransen.

B. Bovenste schutbladen ongedeeld, korter dari de bloemen.

a. Aren steeds rechtopstaand. Bloemen alle in kransen, de onderste schutbladen vinspletig M. spicatum blz. 506.

Sluiten