Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in eeheel. dorh vnnral in Wnsi.

Europa voor in plassen in heide- en veenstreken, maar is bij ons vrij zeldzaam.

mynopüyiium alternillorum

Fig. 618.

2. llippüris -) L.

H. vulgaris !) L. Lid steng (fig. 619).

Deze plant heeft een horizontalen, kruipenden wortelstok, waaruit een rechtopstaande, van binnen nauw buisvormige, dicht bebladerde stengel komt. De bladen staan in kransen van 8-1?

zijn lijnvormig (7 a 9 maal zoo lang als breed), gaafrandig en hebben geen steunbladen, de ondergedoken zijn zacht, teruggeslagen, de boven water staande afstaand, spits. De plant steekt dus gewoonlijk ook met bladen een eind boven water uit.

De bloemen zijn zittend in de bladoksels, klein, groen. De kelk is met het vruchtbeginsel vergroeid, doch heeft geen zichtbare slippen, een bloemkroon ontbreekt, de meeldraad is op den top der kelkbuis ingeplant. De vrucht is eirond, gekroond door den kelkrand, glad, groenachtig, eenzadig (fig. 619). 1,5-9 dM. 4. Mei— Augustus.

In uiterlijk lijkt de plant op Eauisetum limnstim

doch is er door den nauw buisvormigen stengel, het ontbreken van scheeden en door de goed ontwikkelde bladen van te onderscheiden.

De variëteit fluviatilis, die in stroomend water voorkomt, heeft lange, slappe stengels met zijstengels in de onderste knoopen. De bladen zijn wel dubbel zoo lang als anders (soms wel 30 maal zoo lang als breed), lijnvormig, grasachtig, doorschijnend, slap, gedraaid, dus geheel voor het waterleven gebouwd, zij zweven in het water. Zulke planten bloeien niet, althans niet in stroomend water.

Hippuris vulgaris

Fig. 619.

') alterniflorum = afwisselendbloemig. -') van het Grieksche hippos: paard en

oura: staart, omdat de plant op een paardenstaart fEouisphimt <reii>i,t _

gewoon. 1 * ' ""8"» ~

M. alterniflorum ') D. C. Teer vederkruid (fig. 618).

De plant is teerder dan M. spicatum, doch komt er overigens veel

T1PP nuprppn Hnl/ Km .1 ~ 1 i: ... «

mee overeen. Ook bij deze plant liggen de stengels beneden horizontaal of scheef, doch dicht bij de wateroppervlakte gaan zij plotseling loodrecht naar boven. De plant is onbehaard, de bladslippen zijn zeer zacht en fijn en staan meest afwisselend.

De bloemaren zijn kort en teer, de bloemen geelachtig, de onderste vrouwelijke staan alleen of 2-4 bijeen in de bladoksels, meest slechts in een krans, de mannelijke aar daarboven is ook arm aan bloemen. 1,5-3 dM. 2J.. Juli—September.

Sluiten