Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De onderste bladen zijn liervonnig gevind met ongelijke blaadjes en een groot topblaadje, de bovenste zijn 3-tallig of 3-deelig. Overblijvende, behaarde planten met een dikken wortelstok.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Geum.

A. Stengels bijna steeds eenbloemig. Kroonbladen 6-7, zelden 5. Stijlen niet geleed, blijvend. Bladslippen zeer ongelijk, de eindelingsche zeer groot, afgerond hartvormig!

G. iuontanum blz. 531.

B. Stengels meest meerbloemig. Kroonbladen 5. Stijlen in het midden of daarboven geleed, met een bovenste afvallend lid.

a. Bloemen rechtopstaand. Kelk tijdens den vruchttijd teruggeslagen. Kroonbladen ongenageld, uitgespreid. Vruchthoopjes zittend. Vruchtjes kortborstelig.

(i. urliniiutn blz. 530.

b. Bloemen knikkend. Kelk ook tijdens den vruchttijd rechtopstaand. Kroonbladen langgenageld, rechtopstaand. Vruchthoopjes langgesteeld . . o. rivale blz. 529.

c. Bloemen meestal knikkend. Kelk tijdens den vruchttijd rechtop-afstaand. Kroonbladen kortgenageld. Vruchthoopjes kortgesteeld ü. intermedium blz. 531.

Biologische bijzonderheden. Tijdens den nacht en bij regen krommen zich de bloemstelen bij de Geumsoorten naar beneden. Het stuifmeel is dus goed beschut tegen regen. Na den bloeitijd gaan de vruchtstelen blijvend rechtopstaan.

Vaak vindt men op beperkte, scherp omschreven plaatsen aan de onderzijde der bladen zoog. viltgallen, viltige woekeringen op de overigens kale of weinig behaarde vlakte. Zij doen zich als wit- of bruinviltige groefjes voor, men vindt er soms wel 12 op een blad. Zij worden veroorzaakt door galmijten (Phytoptussoorten), die hunne eieren in de haarvormige cellen leggen, terwijl de jongen van de stoffen uit die cellen leven. Vroeger ^hield men deze voor zwamwoekeringen en de hen veroorzakende zwammen werden tot een bijzonder geslacht (Erineum en Phyllerium) gerekend.

G. rivale1) L. Knikkend nage 1 kruid (fig. 642).

Deze plant is weinig vertakt en heeft een verlengden wortelstok. Zij is

van geeiaciiuge, vrij zacnie naren, waartusscnen naar boven klierharen staan, voorzien. De stengel is rechtopstaand, al of niet vertakt, behaard, naar boven roodbruin.

De wortelbladen zijn groot, liervormig gevind, meest langgesteeld. De blaadjes zijn rondachtig of wigvormig-omgekeerd eirond, ingesneden gezaagd. Het topblaadje is cirkelvormig en 3-lobbig. De stengelbladen zijn meest 3-tallig, kortgesteeld. De steunblaadjes zijn klein, getand of gaafrandig.

De bloemen zijn knikkend of overhangend en staan in armbloemige bijschermen. De kroonbladen zijn langgenageld, opgericht, even lang als de kelk, breed omgekeerd eirond, uiteerand. meer rlan 2-maal

zoo groot als bij G. urbanum, lichtgeel, roodachtig aangeloopen. De kelk is opgericht-aanliggend, roodbruin. Het onderste lid van den stijl is aan den voet behaard, omstreeks even lang als het bijna tot aan den top behaarde bovenste.

De vele stampers staan op een gesteelden vruchtdrager, die later nog

Geum rivale

Fig. 642.

>) rivale = beek. Heukels, Flora.

34

Sluiten