Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langer wordt (fig. 642). De vruchtjes zijn lancetvormig, klein, samengedrukt en loopen in een niet een haak eindigenden, tamelijk kalen borstel uit (fig. 642). Aan dien haak zat vroeger het bovenste behaarde deel van den stijl. 4. 1,5-4,5 dM. Mei, Juni.

Biologische bijzonderheden. Op den dag, dat een bloem opengaat, staat de bloemsteel horizontaal en is dus de ingang der bloem zijwaaris gericht. De helmdraden zijn dan nog kort en de helmknopjes gesloten, maar de stempels, die als een bosje een paar mM. buiten de helmknopjes uitsteken, zijn al geschikt om vreemd stuifmeel op te nemen. Later verlengen zich de helmdraden, de helmknopjes der langste meeldraden openen zich en komen met eenige stempels aan den omtrek van den stijlbundel in onmiddellijke aanraking. De bloemsteel is nu gekromd, de bloem knikkend. Tengevolge daarvan komt het uit de helmknopjes neervallende stuifmeel op de kroonbladen van de onderste helft der bloem en bij het sluiten der bloem ook op de stempels aan den omtrek van den stijlbundel en bewerkt spontane zelfbestuiving. Weer een paar dagen later is de bloem aan den boogvormig gekromden steel gaan hangen en de opening is dus naar beneden gericht. Nu hebben zich ook de helmknopjes der kortere meeldraden geopend, de geheele bloem is losser geworden. Alle stijlen, ook de in het midden staande, draaien en krommen zich zoo naar buiten, dat de stempels onder de ten laatste geopende helmknopjes komen te staan en als nu uit deze stuifmeel neervalt, komt het onvermijdelijk op de in het midden staande stempels, die tot dusverre niet bestoven werden. Zoowel de kromming der bloemstelen en stijlen als het sluiten der kroonbladen en het verlengen der meeldraden werken dus samen om te zorgen, dat als insectenbezoek is uitgebleven, toch spontane zelfbestuiving plaats heeft. De vruchten worden verspreid door dieren, doordat zij tusschen de haren van deze blijven zitten.

Voorkomen in Europa en in Nederland. Deze plant is een hygrophyt en komt in geheel Europa op vochtige, beschaduwde plaatsen voor. Bij ons is zij zeldzaam op dergelijke plaatsen gevonden en bijna uitsluitend op zandgrond.

G. urbanum ') L. Nagelkruid (fig. 643).

Deze plant is ruw behaard, weinig vertakt. Zij heeft een korten wortel¬

stok, waaruit een of meer stengels komen, die eenige gesteelde wortelbladen en verder zittende stengelbladen dragen.

De stengel is rechtopstaand en rond. De onderste bladen zijn liervormig gevind met 5 a 7 zeer ongelijke, ingesneden getande blaadjes. Die blaadjes zijn langwerpig-ruitvormig en spits. De bovenste bladen zijn drietallig of -deelig. De steunbladen zijn groot, bladachtig, bijna cirkelvormig, ingesneden getand.

De bloemen staan in armbloemige bijschermen en staan rechtop. De kroonbladen zijn omgekeerd eirond, goudgeel, even lang als de kelk, ongenageld. De kelk is groen, onder de vrucht teruggeslagen. Het

onderste lid van den stijl is kaal, omstreeks 4-maal zoo lang als het aan

') urbanum = bij de stad groeiend.

Geum urbanum

Fig. 64,'J.

Sluiten