Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doordat zij naar het midden der bloem komen aanvliegen. Spontane zelfbestuiving geschiedt niet gemakkelijk, zij is alleen mogelijk, doordat de helmknopjes der binnenste meeldraden soms de buitenste stempels aanraken. Meestal is echter het insectenbezoek heel groot.

De vruchten worden (zie Prunus) door vogels verspreid. Zij zijn rood of donkerrood, maar vallen door die kleur, te midden van het groene gebladerte, flink op. Soms zijn zij met een blauwachtig waas overtrokken, b.v. bij Rubus caesius, maar dan zijn ze eerst rijp, als het blad reeds rood begint te worden en vallen dan dus weer flink op. Bij de framboos is ook nog de geur der vrucht een lokmiddel. Terwijl de patrijzen en kraaiachtige vogels vooral voor de verspreiding der zaden van de braambessen werkzaam zijn, zijn het vooral de wielewaal en het zwartkopje (Motacilla atricapilla), die de zaden van de framboos verspreiden.

De meeste Rubussoorten zijn xerophyten.

Bij Rubussoorten komen vaak viltgallen voor, veroorzaakt door galmijten. Zij bevinden zich op bepaalde, scherp begrensde plekken aan de ondervlakte der bladen. Zij bestaan uit een viltige laag, die zelfs wel overgaat op de bladstelen, ja soms is zelfs de groene schors der jonge takken wel met viltige lijsten en vlekken bedekt. Daarin leven de mijten (zie bij Geum o. a., waartoe die mijten de viltharen gebruiken).

Wijze van groei. Alle Rubussoorten komen daarin onderling overeen, dat uit een krachtig onderaardsch deel zich bladdragende takken, zoog. loten, ontwikkelen, die reeds in dat jaar hunne volle lengte verkrijgen en in den herfst zoo goed als geheel houtig worden. Daaruit komen dan het volgend jaar kortere zijtakken, die bladen en bloemen dragen. Daarna sterven die geheele stengels af, doch het individu blijft leven door de nieuwe loten, die dat jaar al weer zijn ontstaan.

Merkwaardig is verder een ongeslachtelijke wijze van vermenigvuldiging bij sommige Rubussoorten. De gevormde loten buigen zich n.1. bij deze in een boog naar beneden, bereiken den grond en wortelen daarin. Zij kunnen zoo het aanzijn aan nieuwe planten geven.

Indeeling van het geslacht Rubus. Afgezien van de framboos, Rubus Idaeus, bracht men vroeger al de inlandsche soorten van Rubus tot 2 soorten: R. fruticosus en R. caesius. Een nader onderzoek heeft echter aan het licht gebracht, dat tot R. fruticosus een groot aantal vormen behooren, die nu als soorten onderscheiden worden. In hoeverre ze dat werkelijk verdienen en in hoeverre er niet vele bij zijn, die eigenlijk bastaardvormen zijn, is nog niet uit te maken. Dit staat wel reeds vast, dat het geslacht Rubus zeer veranderlijke soorten bevat en dat de soorten in staat zijn vele vruchtbare bastaarden te vormen. Hoewel W. A. Focke en anderen bezig zijn te beproeven de stamvormen van het ondergeslacht Eubatus op te sporen, is dit tot dusverre nog niet gelukt.

De in dit werk vermelde soorten zullen waarschijnlijk later wel blijken tot een kleiner getal teruggebracht te moeten worden, doch op het oogenblik is nog niet te zeggen tot welke, daar het aantal tusschenvormen dit zoo schrikbarend moeilijk maakt.

Aangezien de Rubussoorten in ons land nog betrekkelijk weinig zijn bestudeerd, is het wenschelijk in de tabel tot het determineeren er van ook de soorten op te nemen, welke nog wel niet zijn waargenomen, doch waarvan er kans is, dat zij bij ons zouden kunnen worden gevonden.

Sluiten