Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorkomen in Europa en in Nederland. Deze soort komt in humusrijke bosschen voor. De ondersoort a komt in Frankrijk, Engeland en WestDuitschland voor en is ook bij ons eenige malen gevonden. De bovenge-

noemae varieteit van deze is ook dij ons een paar malen aangetroffen. De ondersoort b komt in Noordwest-Duitschland, Frankrijk en Engeland voor, doch is bij ons nog niet gevonden.

R. silvaticus ') Wh. et N. (Fig. 664).

Hierbij zijn de loten tamelijk dicht behaard met tal van gelijksoortige, korte, breed ingeplante, rugwaarts gekromde stekels bezet.

De bloemtakken zijn kleinstekelig, de kelkbladen teruggeslagen. t\ Juni—Augustus.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De

soort komt in bosschen en aan boschranden in

Noordwest-Duitschland en in Engeland voor. Zij

is bij ons eenige malen gevonden. De var. 3. glandulósa, met klierharen, is ook eenige malen bij ons aangetroffen.

Rubuc silvaucus

Fig. 664.

B. Arrhènii 2) J. Lange.

Bij deze planten zijn de loten rondachtig stompkantig niet kleine teruggebogen stekels. De bladen zijn 5-talliR, de blaadjes fijn en scherp RezaaRd. De bloei wijze is samengesteld, verlengd. De kroonbladen zijn rondachtig, de meeldraden nauwelijks halt zoo lang als de stijlen. Ij. Juli, Augustus. De vrucht is in September rijp.

Voorkomen in Euro/ia en in Nederland. De plant komt in bosschen, aan boschkanten en in heggen voor in Noordwest-Duitschland. Zij is bij ons nog niet gevonden.

R. chlorothyrsos ;) Focke.

Hierbij zijn de loten dicht afstaand behaard met vrij krachtige, breed ingeplante stekels. DeJ blaadjes zijn ongelijk Rrof RezaaRd. De bloeiwijze is lang en smal met enkelvoudige bladen, de assen zijn dicht afstaand behaard. I>. Juli. De vruchten zijn in September rijp.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op lichten humus- of mergelgrond voor op open boschplekken en aan boschkanten, ook in heggen. Daar de soort in Denemarken, Zweden, Sleeswijk-Holstein en Mecklenburg bekend is, zou zij bij ons kunnen

voorkomen. Zij rs echter nog niet waarRenomen.

R. Sprengélii ') Wh. (Fig. 665).

Bij deze zijn de loten tamelijk dicht afstaand behaard. De stekels zijn samengedrukt, breed en sikkelvormig. De bladen zijn meest 3-tallig, de blaadjes onregelmatig grof gezaagd.

De bloeiwijze is stijf uitstaand en los, met dunne, lange takjes. De assen zijn viltig. De bloemen hebben omgekeerd eirond-langwerpige, bijna steeds rose kroonbladen. b. Juni—Augustus.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bosschen, struikgewas en heggen, vooral op lichten leem- en zandgrond voor, in

Zuid-Denemarken, Noord-Duitschland, Engeland, België, Noordoost-Frankrijk. Zij is bij ons eenige malen gevonden.

i) silvaticus = bosch. -) Arrhènii naar J. P. Arrhenius, f 1889, die de Zweedsche

Rubi beschreef. :1) chlorothyrsos = groentuilig. ') Sprengelii naar K. P. J. Sprengel, professor in Halle, f 1833.

Rubus Sprengelii

Fi£. 665.

Sluiten