Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

breed elliptisch of omgekeerd-eirond. De kelkbladen zijn afstaand. I;. Juli. Als rassen behooren hiertoe:

n. rubicündus <) P.J. Muller. De loten zijn hier met naald-priemvormige stekels bezet, de bladen van onderen zijdeachtig zacht behaard, het topblaadje is eirond, de vruchtkelk is afstaand of rechtopstaand.

/?. dêcorus-) P.J. Muller (R. cruentatus P. J. Muller). De blaadjes zijn hier fijn en gelijkmatig scherp gezaagd, de bloeiwijze is groot en los, de bloemen zijn groot.

B. /?. fusco-ater-') Focke (R. fusco-ater Wh. et N.) De loten zijn hier dicht behaard met dichtopeenstaande, zeer ongelijke, gesteelde klieren, stekeltjes en stekels, de blaadjes zijn

van onderen grijsgroen of bleekgroen, zacht, het topDiaaaje is breed elliptisch. De bloemassen dragen vele ongelijke, gesteelde klieren en naaldstekels. I». Juli.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De vorm A komt in bosschen en aan beekoevers in Zwitserland, het Rijngebied, de Belgische Ardennen en Engeland voor, doch is bij ons nog niet gevonden. De beide rassen zijn evenmin in ons land aangetroffen. Het eerste komt in bosschen en kreupelhout in de Rijnprovinciën voor en in Engeland, het tweede op vruchtbaren boschgrond in Middenen West-Duitschland en in België. De vorm B komt aan boschranden, heggen en hellingen in Noord west-Duitschland voor.

R. Ménkei ') Wh. et N. (Fig. 668).

Een der rassen dezer soort is j!. teretiüsculus '■>) Focke (R. teretiüsculus Kaltenb.).

Bij deze zijn de blaadjes van onderen grijsviltig en is het topblaadje omgekeerd

eirond. Ij. Juli.

Voorkomen in Europa en in Nederland. Dit ras is in Duitschland bij Aken en in het Rijngebied gevonden en ook bij ons een paar malen.

R. hypoleucos") Lefèvre et P. J. Muller. (Fig. 669).

De blaadjes zijn ongelijk grof en naar voren toe vaak ingesneden gezaagd, van onderen glanzend, het topblaadje is langwerpig-elliptisch, geleidelijk toegespitst.

De bloeiwijze is meest groot en los, de bloemen zijn groot. ty. Juni, Juli.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Zuid- en West-Engeland en Frankrijk voor, doch is bij ons nog niet gevonden.

Rubu. hypoleuco» R rüdjg 7) wh N (pjR 670 )

Fig- 669. gij deze soort zijn de loten met dicht opeengedrongen.

korte, gesteelde klieren bezet. De stekels zijn breed ingeplant, rugwaarts geneigd, kort, doch krachtig. De blaadjes zijn ongelijk grof gezaagd, van onderen met aangedrukt stervilt voorzien. Het topblaadje is elliptisch of ei-ruitvormig.

De bloeiwijze is stijf uitgespreid met afstaande takjes en dunne bloemsteeltjes. •?. Juni, Juli. De vrucht is in Augustus—October rijp.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bosschen en in kreupelhout, doch zelden in de vlakte voor, in Engeland, Noord- en Midden-Frankrijk, WestDuitschland en België en is bij ons misschien bij Boxmeer gevonden.

R. radulas) Whe. (Fig. 671).

Hier zijn de loten naar boven toe met platte vlakken begrensd. De stekels zijn krachtig, lancetvormig, recht. De

') rubicundus = donkerrood. -) decorus = sierlijk. :1) fusco-ater — bruinzwart. ') Naar K. T. Menke, arts te Pyrmont, f 1861. 5) teretiusculus = rolrondachtig-

'•) hypoleucos = beneden wit. ï) rudis = ruw. s) radula = vijl, rasp.

Rubus rudis

Fig. 670.

Rubus Menicei

Fig. 668.

Sluiten