Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladen zijn geelachtig wit, gaafrandig. Bij de vruchtbare bloemen zijn de meeldraden even lang, bij de onvruchtbare dubbel zoo lang als het kogeltje van stampeis

hitna bofrond™ hp«i» h°°d °f T" Sr00t 3'S bii F' VeSCa" Zi' is aan den voet versmald,

Ï 7-?rcM Merjuninageen de" V°et' 'S SlCViK aan dcn kclk Rehecht'

Voorkomen in Europa cn in Nederland. De plant komt in geheel Europa in bosschen \ooral op kalkgrond voor en is bij ons alleen bij Apeldoorn gevonden. (1877).

F. virginiana i) Ehrh. Virginische aardbei.

h,hLriieZnSMrt JS de..ste"Rel meest kor,er dan de bladen en afstaand of rechtopstaand behaa.d. De blaadjes zijn alle gesteeld, scherp gezaagd, iets lederachtig

De bloemen zijn onvolledig 2-huizig. De kroonbladen zijn wit. De schijnvrucht is donkerrood en groot met verspreide, in groefjes van den vrachtdrager ingezonken vruchtjes en een afstaanden vruchtkelk. 4. 15-22 cM. Mei, Juni.

JZlTV" "ed<r'and; De P'a"' is af'-°mstig uit Noord-Amerika en wordt bij ons gekweekt. Zij is bij Deventer en b.j Oisterwijk C ) verwilderd gevonden.

F. grandiflóra -) Ehrh.

Deze plant is een bastaard van F. chiloensis cn F. virginiana. De stengel is korter dan de bladen en rechtopstaand behaard. De blaadjes zijn alle gesteeld, diep grof gezaagd donkergroen. De kroonbladen zijn wit. De schijnvrucht is roodachtig wit. grooter dan bij . virginiana. De vruchtjes liggen in minder diepe groeven dan bij deze. 15-45 cM. Mei. Juni

Voorkomen in Nederland. Deze plant komt uit Suriname, en wordt bij ons gekweekt en is, hoewel zeldzaam, verwilderd gevonden.

9. Cómarum;i) L.

Halve heesters met bebladerden stengel, oneven gevinde bladen met zeer dicht opeenstaande blaadjes en bloemen in bijschermen. De bloeiwijze zit aan den top der hoofdas.

C. palustre1) L. Waterbezie (fig. 682).

Uit den langkruipenden, bruinen wortelstok komt een onstiieende

vertakte , roodachtige , los bebladerde stengel, die beneden onbehaard en wit, naar boven fijn' behaard is. De bladen staan verspreid aan den stengel en hebben aan den voet 2 onbehaarde, gaafrandige steunblaadjes. Deze zijn aan de onderste bladen meer lancetvormig, aan de bovenste eirond, bijna hartvormig, steeds toegespitst. De bladen zijn oneven gevind, 5-7-tallig, gesteeld, de bovenste 3-tallig, bijna zittend. De blaadjes zijn langwerpig, scherp gezaagd, van boven groen, van onderen blauwgroen, viltig, zeer kort gesteeld! De bladstelen zijn min of meer fijn behaard.

De bloemen staan weinig talrijk in onregelmatige

hiicnllOfmnM rwil „A _ I ,

.. iij siaan reentop en zijn donkerrood.

De kelkbladen zijn van binnen donkerpurper tot bijna bruin. De bijkelk is 5-bladig, de blaadjes zijn kleiner dan de kelkbladen en zijn spits lancetvormig, terwijl de kelkbladen breed eirond, toegespitst zijn. De kroonbladen, 5 in getal, zijn korter dan de kelkbladen, iets lichter dan deze,

') virginiana = Virginische. -') grandiflóra = grootbloemig, ») Vroeger heette de vrucht van den aardbeiboom: Arbutus Unedo, komaron, hetgeen afgeleid is van komaoo < ƒ' n deng gr°en Re'°oid. Dit gold werkelijk voor Arbutus. Later is de naam overvan' Arbutus.'" "= moeras" ^ vruchtverzamelin-" «enigszins gelijk, op de bes

Comarum palustre

Fig. 682.

Sluiten