Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kruisbestuiving of naar de kroonbladen en komen dan vaak niet eens met de stempels in aanraking, maar wel met de helmknopjes. Blijven bij regen de bloemen gesloten, dan heeft er spontane zelfbestuiving plaats.

Zoo er bij andere Potentillasoorten bijzondere inrichtingen zijn in verband met de bestuiving, zal dit bij die soorten worden opgegeven.

De vruchtjes zijn klein en worden door den wind verspreid.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Potentilla.

A. Heester. Bloemen 5-tallig. Stijlen kort, dik, bijna aan den voet der vruchtbeginsels staand. Vruchten bij het afvallen door haren van de bloemspil omhuld. Bladen 5-7-tallig gevind of vindeelig. Blaadjes of slippen langwerpig, gaafrandig. P. t'rutieosa blz 563

B. Kruidachtige planten. Onderste bladen meest langgesteeld, de bovenste zittend.

a. Bloemen wit. Haren der bloemspil even lang als of langer dan de vruchtjes, deze bij het afvallen omhullend. Stijlen draadvormig, zijdelings staand. Bladen in een wortelroset staand.

aa. Wortelbladen 3-tallig met afstaand behaarde stelen. Zijblaadjes rondachtigeiroijd, het middelste omgekeerd-eirond, alle ingesneden gekarteld-gezaagd Bijkelkblaadjes lancetvormig, iets kleiner dan de eironde kelkbladen.

„ p- fragarlastram blz. 563.

bb. wortelbladen 3- tot 5-tallig, met rechtopstaand behaarde stelen. Blaadjes breed langwerpig, van voren met aangedrukte zaagtanden. Bijkelkbladen lijnlancetvormig, kleiner dan de lancetvormige kelkbladen.

P. alba X fragariastram blz. 564.

b. Vruchtjes bij het afvallen zonder aanhangende haren der bloemspil.

aa. Plant, nadat de vruchten rijp zijn, afstervend (verg. P. intermedia). Hoofdas de bloeiwijze dragend. Kroonbladen korter dan de kelkbladen, lichtgeel. Stijlen in het midden verdikt, bijna eindelings. Vruchtjes rimpelig.

aoo. Bladen gevind, de bovenste 3-tallig. Schutbladen alle bladachtig.

_ P. soplua blz. 564.

bbb. Bladen alle 3-tallig. Schutbladen der bovenste bloemen klein.

P. norvegica blz. 565.

bb. Plant overblijvend. Kroonbladen meest even lang als of langer dan de kelk (zie echter P. intermedia). Bloemen geel. Stijlen niet in het midden verdikt, eindelings.

aoo. Bladen handvormig samengesteld. Schutbladen 3-tallig, de bovenste ongedeeld. Bloeiwijze eindelings (verg. P. Tormentilla). Bloemen 5-tallig. Stijlen vaak aan den voet verdikt.

n. De bloemstengels komen uit den top van den wortelstok (dus naast den bloemstengel staan korte, bladen dragende, in het volgend jaar bloeiende takken). Bloemen in scherm-pluimvormig opeengehoopte bijschernien.

<m. Stengel rechtopstaand (of opstijgend). Vruchten geplooid-riniDelig, gekield.

aaa. Stengel met afstaande, lange haren en dichte, kortere klierharen bezet. De kortere haren zijn recht en vormen geen vilt. Bladen 5-7-tallig met wigvormig-langwerpige blaadjes. Bloemstelen na den bloei rechtopstaand.

P. reeta blz. 565.

Hiertoe behoort ook de ondersoort P. piloso. Langere haren van den stengel losser en zachter. Blaadjes der steeds 5-tallige wortelbladen langwerpig-omgekeerd eirond. t>pp. Stengel door gekroesde haren viltig, bovendien vaak nog door langere haren wollig. Stengel onder het midden vertakt. Blaadjes der wortelbladen omgekeerd eirond.

P. intermedia blz. 5S6.

PP- Stengel opstijgend, viltig. Bloemen klein. Vruchtjes fijn rimpelig, niet gekield. Blaadjes met omgerolden rand. Bloemstelen na den bloei rechtop- of afstaand. . . P. argentea blz. 566. P- Uit den grond komt een roset van wortelbladen en uit de oksels van deze komen de bloemstengels. Wortelstok dun, sterk vertakt,

Sluiten