Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roientma intermedia

Fig. 690.

doch de stengel is vaak in het onderste deel iets opstijgend. De langere haren van den stengel zijn losser en zachter en er zijn bijna geen of geen klierharen, doch de kleinere haren gaan naar boven in korte, stijve borstelharen over. De bladen zijn 5-tallig met langwerpigomgekeerd eironde blaadjes, de steunblaadjes gaaf of met enkele kleine tandjes.

De kroonbladen zijn goudgeel, meest iets kleiner dan bij de soort, meest iets korter dan de kelk. De kiel der vruchtjes is smaller dan bij P. recta, de vruchtjes zelve zijn ook rimpelig.

Voorkomen in Europa en in Nederland. Deze ondersoort komt in Midden-Duitschland voor en is bij ons aangevoerd bij Deventer, Apeldoorn, Berlicum en Asten.

P. intermédia ') L. (P. inclinata-) Vill. var. viréscens) Boiss., non P. inclinata Koch.). Middelste ganzerik (fig. 690).

Deze plant heeft een boogvormig oostiigenden.

onder het midden vertakten stengel, die sterk bebladerd is en veel bloemen draagt. De stengel is viltig door gekroesde haren en bovendien vaak nog wollig door langere haren. De bladen zijn handvormig samengesteld, 5-tallig. De blaadjes zijn grof gezaagd, aan weerszijden wollig, die der bovenste bladen zijn langwerpig, naar den voet versmald. Aan de middelste bladen is het topblaadje vaak 3-deelig. De steunbladen zijn vaak ingesneden getand.

De bloemen vormen een losse, schermvormige pluim, zijn klein met goudgele kroonbladen , meest korter dan de kelk. De vruchtjes 7»n apvipmrpiH-

gekield. 4 en OQ. 2-4 dM. Juni—Augustus.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant is in Zuid-Rusland en in Klein-Azië inheemsch en bij ons op verschillende plaatsen aangevoerd.

P. argéntea ) L. Zilverganzerik (fig. 691).

Deze plant heeft een korten wortelstok, waaruit vaak vele, naar boven

tob piuimvormige, einueungscne, vrij krachtige, opstijgende, sterk bebladerde stengels komen, die dicht behaard en daardoor witgrijs zijn. De bladen zijn handvormig samengesteld, 5-tallig met wigvormig-omgekeerd eironde tot langwerpig-lijnvormige, naar voren ingesneden gezaagde, niet of kortharig gewimperde, beneden wit- of grijsviltige blaadjes, zij hebben een omgerolden rand. De steunbladen zijn vaak ingesneden. Ook de bladstelen zijn witviltig.

De bloemen zijn goudgeel, klein (6-10 mM) en staan in tuilvormige, bebladerde bijschermen. De bloemstelen zijn evenals de kelken witviltig. De hiikelk is even lanp als dp kelk Dp W rnnnhlaHpti

zijn omgekeerd eirond, iets uitgerand, meest langer dan de kelk. De bloemstelen staan na den bloei rechtop. De vruchten zijn rimpelig, niet gekield. 4- 1,5-3 dM. Juni, Juli.

Als variëteiten moeten vermeld worden:

p. viréscens:i) Whlnbg., met van onderen groene bladen.

rotentilla ar^entea Fig. 691.

') intermedia = middelste. -) inclinata = gebogen •') virescens = groenachtig. i) argentea = zilverkleurig.

Sluiten