Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze plant is misschien een bastaard van R. rubiginosa en R. canlna.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt aan zonnige hellingen en in heggen in geheel Europa voor, doch is bij ons alleen op Zuid-Beveland aangetroffen.

R. rubiginosa') L. Egelantier (fig. 710).

Deze heester is altijd rijker aan stekels dan R. canina. De loten zijn behalve met grootere, niet vrij dicht opeengedrongen,

rechtere en dunnere stekels bezet. De bladstelen zijn met stekels en met zittende klieren bezet. De blaadjes zijn rond-eirond tot rond-elliptisch, klierachtig dubbel gezaagd, van boven kaal, van onderen iets zacht behaard, dicht klierachtig. De steunbladen zijn langwerpig, spits toeloopend, ook aan den rand met klieren bezet.

De kroonbladen zijn levendig rose, kleiner dan bij R. canina. De bloemstelen zijn vrij lang, ruw klierachtig behaard, rood. De kelkslippen zijn ver¬

lengd, klierachtig. De schijnvrucht is vrij groot, bolrond of langwerpig, evenals haar steel kaal of met klierborstels bezet, oranjekleurig. De vrucht¬

kelk is teruggeslagen. K 6-12 dM. Juni—Augustus.

Bij de variëteit p. echinocarpa -) (R. echinocarpa Crép.) zijn de vruchten geheel ruw behaard met opgerichten vruchtkelk en zijn de blaadjes van boven klierachtig.

Volksnamen. In de meeste streken noemt men deze soort egelantier en bottelroos, in Overijsel en de Graafschap Zutphen noemt men haar bottel, in Noord-Limburg wilde roos, in Zeeuwsch-Vlaanderen doorn.

Voorkomen in Europa en in Nederland. Op zonnige plaatsen en langs boschranden komt deze soort in bijna geheel Europa, vooral in Midden-Europa, voor. Bij ons komt zij vrij vaak in de duinen voor. Of zij daar wild of verwilderd is, is moeilijk te zeggen, daar zij ook bij ons gekweekt wordt. De var. /3. is bij Meppel, Overveen, Wassenaar, Waalsdorp en Domburg gevonden.

Een bastaard van R. rubiginosa en R. pimpinellifolia met zeer ongelijke stekels en steunbladen smaller dan bij R. rubiginosa, is vrij zeldzaam gevonden.

R. tomentosa1) Sm. Vilt roos (fig. 711).

Bij deze soort zijn de stekels der loten verspreid, de kleinere zijn dunner. De bladen bestaan uit 5-7 blaadjes, deze zijn elliptisch of eirond, dubbel gezaagd met klierachtige zaagtanden. Zij zijn meer of minder zacht behaard, zelden kaal, van onderen vaak klierachtig. De bovenste steunbladen zijn zwak verbreed met driehoekige, korte oortjes, zij hebben gesteelde klieren aan den rand.

De kroonbladen zijn vrij groot, rose, iets welriekend. De bloemstelen zijn lang, soms ruw 'behaard, zij zijn ook met fijne, rechte klierstekels bezet. De kelkslippen zijn ten deele ingesneden,

klierachtig, teruggeslagen, meest langer dan de kroonbladen. De schijn-

Rosa tomentosa

Fig. 711.

') rubiginosa = bruinrood. -) echinocarpa = stekelvruchtig. :l) tomentosa = viltig.

Rosa rubiginosa Fig. 710.

Sluiten