Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrucht is eerst oranjegeel, later zwart, bolrond, meest evenals de vruchtstelen met klierborstels bezet. De vruchtkelk is blijvend of laat afvallend en teruggeslagen, t 9-18 dM. Juni—Augustus.

R. gallica-) l. Fransche roos (fig. 713).

Bij deze soort zijn de loten met teruggekromde, grootere en kleinere, vrij zwakke stekels

en lai van Kiiernorstels bezet. L)e bladen bestaan meest uit 5 blaadjes, deze zijn groot, rondachtig tot elliptisch, enkel gezaagd, lederachtig, van boven kaal, van onderen blauwgroen, behaard. De rand is klierachtig gezaagd. De bladstelen zijn sterk met zittende en gesteelde klieren bezet. De steunbladen zijn zeer smal.

De bloemen zitten ten getale van 2 of 3, vaak ook alleen, aan den top der takken. De bloemstelen en de kelkbuis ziin met stekelborstels en gesteelde klieren bezet. De bloemen zijn groot, meest purper, vrij vaak gevuld, doch de kroonbladen zijn ook dan uitgespreid. De schijnvrucht is groot, blijft lang hard, is donker scharlakenrood. De vruchtkelk is teruggeslagen en valt ten slotte af. b. 3-12 dM. Mei, Juni.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in heggen en bosschen in Midden- en Oost-Europa voor.

Zij is bij ons een sierplant (de stamvorm van de meeste onzer tuinrozen) en is enkele malen verwilderd gevonden.

R. pimpinellifólia") L. (R. spinosissima 4) Sm.). Duinroos (fig. 714).

Dit is een kleine, sterk vertakte heester met roodbruine takken. De bladen

Ross g-allica

Fig. 713.

') poniifera = appeldragend. ") pimpinellifólia = pimpernelbladig.

-) gallica = Fransch. ') spinosissima = zeer stekelig.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bosschen en heggen in geheel Europa voor en is bij ons zeldzaam.

R. pomifera') Herm. Bottelroos (fiK. 712).

De kleinere stekels aan de loten gelijken meer op borstelharen. De bladen bestaan uit 5-9 blaadjes, deze zijn elliptisch tot langwerpig-lancetvormig, licht blauwgroen, groot, aan weerszijden zijdeachtig behaard , beneden met klieren en ook met klierachtige zaagtanden. De bladstelen zijn ook dicht en fijn behaard. De steunbladen zijn langwerpig, met eironde, rechtopstaande toppen, de bovenste zijn verbreed.

De bloemstelen zijn kort, ruw klierachtig behaard. De bloemen zijn groot, rose. De kelkslippen zijn op de rugzijde klierachtig, ten deele vinspletig. De rand der kroonbladen is ook klierachtig gewimperd. De schijnvrucht is groot, bijna bolrond, violet-purper, berijpt. De vruchtkelkslippen staan rechtop en neigen samen. Overigens komt deze soort met R. tomentosa overeen. b. 12-18 dM. luni.

vuurKumen in turopa en in Nederland. De plant komt op vrij hooge bergen in bijna geheel Europa voor. Bij ons wordt zij gekweekt en is, doch zelden, verwilderd gevonden.

Een bastaard van R. pomifera en R. pimpinellifólia, die het uiterlijk van R. pomifera heeft, maar kleiner is, is bij Sandpoort gevonden.

Rosa pomifera

Fig. 712.

Sluiten