Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gemata tinctória

Fig. 728.

G. tinctória ') L. Verfbrem (fig. 728).

Bij dit heestertje is de stengel gestreept, groen, onbehaard of behaard,

recniopgaand ot opstijgend en naar boven meest met korte, ronde, gestreepte, trossen dragende takken bezet. De bladen zijn elliptisch tot lancetvormig, meest spits, van boven donkergroen, glanzend. Zij zijn meest gaafrandig en gewimperd en hebben kleine, priemvormige steunbladen.

De bloemen zijn geel en staan in trossen. De kelk (fig. 728) is onbehaard of behaard, heeft bijna gelijke lippen, die even lang zijn als de auis. De vlag is onbehaard, eirond, boven iets ingesneden, even lang als de sikkelvormige

kiel. De neul (Hp. 72R"> 9^-^n m JV4 lonrr a

mM breed, lijnvormig, iets gebogen, niet bultig, zwart en bevat 5-12 eironde, groenbruine, doffe zaden. 4. 3-6 dM. Juni—Augustus.

De plant bevat een gele kleurstof, die tot het geel verven van linnen en wollen stoffen dient.

Biologische bijzonderheden. Aan de toppen der takjes vindt men soms sterk opvallende witte knopjes. Dit zijn gallen, welke veroorzaakt worden door Cecidomyia genisticola. De witte kleur wordt veroorzaakt, door de als schalen van een schelp samenvloeiende buitenste bladen, dié dicht

mei wiuc udien ut'Kieeu zijn. De gallen zijn samengesteld.

De bloemen (fig. 729) vallen sterk op door de gele kleur en door het vereenigd zijn tot trossen. Zij bevatten geen honig en ook geen honigmerk. In den knop springen de 4 bovenste meeldraden al open en het stuifmeel valt in de kiel. De helmknopjes verschrompelen , het stuifmeel blijft boven den stijl liggen en wordt door de voortgroeiende meeldraden in het voorste deel van de nog groeiende kiel geschoven. Kort voor het ontplooien van de vlag springen ook de 6 andere meeldraden open en ontlasten hun stuifmeel. Dit ligt op den stijl, die als een

Genista tinctória blijft boven den stijl liggen

Fig 729. en wordt door de voort-

1 bloem, die nog niet uiteen is gesprongen, nadat vlag groeiende meeldraden in het en zwaarden weggenomen zijn, 2 dezelfde, nadat de kiel x j i

door drukking van boven tot aan den top open is ge- VOOrste deel van de nog

fs*'om "té^on^lcfffen^-f'bloém6^! h'^lTiteenspringen'der geiende kiel geschoven.

a meeldraadkoker met stijl en stempel, b de 4 kort V00r 'K^ Ontplooien Van

gebleven buitenste meeldraden, c de 5 binnenste meel- de Vlag Springen ook de 6 draden, d de meeldraad, die onder den stiil li^t c tnn «u «

van den stijl, ƒ stempel, g stuifmeel, h zijdeiingsche andere meeldraden open en

plooi van de kiel, waarin een plooi h, van het bijbe- ontlasten hlin Stuifmeel Dit hoorende zwaard grijpt, m zwaarden, n kiel umiasicu iiuii siumneci. uil

ligt Op den stijl, die als een gespannen veer, die naar boven wil, met de meeldraadkolom er om, inde kiel ligt. De nagels van de kiel en van de er mee verbonden zwaarden vertoonen een spanning naar beneden. Deze tegengestelde krachten houden

') tinctória = verf.

Sluiten