Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13 oicnijKcr. ue Stengel is vertakt, meest rechtopgaand, soms liggend of opstijgend, dicht gedoomd. De oudere takken zijn rond, gegroefd, glad, bruin, de zijtakken zijn vervormd tot spitse, bruine, enkelvoudige of samengestelde dorens. De jonge takken zijn uitgespreid, groen en glad, zij dragen spits toeloopende bladen, die in een kruidachtigen stekel eindigen. De bladen zijn blauwgroen, gaafrandig, aan de onvruchtbare takjes langwerpig tot lijnvormig-Iangwerpig, aan de bloemdragende ovaal, alle zijn kaal en bijna zittend. Steunbladen ontbreken.

De bloemen zijn klein en geel. De bloemstelen

dratrpn srlinthlnHpn Hio nmctraol/f mmn Um., -••

■ |ii, n» i ° —uiv tvtii £l|n

ais de kelk. De kelk is glad met ongelijke lippen. De bloemkroon is glad de vlag iets korter dan de kiel. De peul (fig. 731) is 12-15 mM lang' 5 mM breed, opgezwollen cylindervormig, met een gekromde punt aan de ovenzijde, bij rijpheid donkerbruin, glad. De zaden zijn 2-10 in getal eirond, bruin. 1,5-9 dM. Mei, Juni, soms tot Augustus.

Biologische bijzonderheden. Deze plant blijft evenals Ulex steeds groen De kleine doornige takjes aan de hoofdtakken maken, dat deze plant evenals G. germanica 111 groeiwijze met Ulex overeenstemt, doch hier zijn gewone bladen aanwezig. Door die stekende deelen is de plant ook goed beschut tegen het opvreten dóór dieren.

De plant groeit niet op kalkgrond of is misschien beter gezegd onverschillig voor kalk in den bodem.

De inrichting der bloem staat vrij wel gelijk met die van G. tinctoria doch de tegengestelde spanningen zijn hier veel kleiner. De kiel en de zh aarden dalen bij het naar boven komen van de geslachtszuil maar weinig

') anglica = Engelsch.

Genista anglica

Fig. 731.

tegen den binnenwand van de kiel geperst, zoodat er tusschen de geslachtszuil en de kiel een, al is het geringe, spanning bestaat. F.erst ligt nog de vlag op de zwaarden en de kiel en daar de stempel al ontwikkeld is is nu zelf bestuiving mogelijk. Nu richt de vlag zich op, strekt zich de stijl en treedt uit den top van de kiel te voorschijn. Bezoekende insecten raken hem bij het komen aanvliegen het eerst en bewerken bestuiving met stuifmeel uit een andere bloem, daarna gaan zij zitten, drukken de kiel neer en krijgen stuifmeel aan hun buik. Wordt de kiel maar zwak neergedrukt dan keert zij bij het ophouden van de drukking door de geringe elasticiteit van hare naar boven over elkaar grijpende uitsteeksels in haar vroegeren stand terug. Wordt zij echter door krachtiger insecten zoover neergedrukt dat die uitsteeksels geheel onder den stijl komen te liggen, dan is er van terugkeeren geen sprake meer en ziet de bloem er als de geëxplodeerde van G. tinctoria uit.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Midden- en West-Europa in boschr.jke streken voor, doch is bij ons zeer zeldzaam en alleen in Gelderland en Noord-Brabant gevonden.

G. anglica') L. Stekelbrem (fig. 731).

Dit heestertje gelijkt veel op G. germanica, doch het groeit meestal rechtop

en is siprlnkpr ir.

Sluiten