Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haard, 3 mM lang, aan den bovenrand stomp gekield, bij rijpheid geelbruin. De zaden zijn ovaal, bruin en glad (niet als bij M. altissimus met puntjes). O0, ook O. 3-9 dM. Juni—October. De plant onderscheidt zich ook nog van M. altissimus door de dunnere, lossere bloemtrossen. De plant riekt zeer sterk, evenals deze.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bijna geheel Europa voor op bebouwde en onbebouwde gronden, vooral op leemgrond en is ook bij ons vrij algemeen.

M. albus') Desr. Witte honigklaver (fig. 758).

Deze soort heeft een penwortel, waaruit een rechtopstaande, bijna onbe¬

haarde, vertakte stengel komt.

De bladen hebben priem-borstelvormige, gaafrandige steunbladen (soms hebben de onderste aan den voet aan weerszijden 1 of 2 tanden). De blaadjes zijn getand, boven bijna afgeknot met een klein stekelpuntje, zij zijn bij de onderste bladen omgekeerd eirond, bij de bovenste langwerpiglancetvormig tot lijnvormig. Het topblaadje heeft een veel langer steeltje dan de zijblaadjes.

De bloemen zijn wit, welriekend en staan in verlengde en dichte trossen, die langer zijn dan

het blad, in wiens oksel zij staan. De bloemsteel- * M«iuotu« aibu»

tjes zijn half zoo lang als de kelk. De buis van Fig- m

deze is 5-nervig, bijna klokvormig. Van de bloemkroon zijn de zwaarden ongeveer even lang als de kiel, korter dan de 2-lobbige vlag. De peulen (fig. 758) zijn 4 mM lang, hangend, aan den bovennaad stomp gekield, bij rijpheid zwart. De zaden zijn afgerond en glad. OG- 3-15 dM. Juni— September.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa op zandgrond, ook langs de rivieren voor en is bij ons vrij algemeen, vooral langs wegen en dijken.

M. ruthenicus -) M. B. Rutheensche honigklaver.

Deze plant heeft een rechtopstaanden . kantigen stengel. De bladen hebben borstelvormitte. gaafrandige steunblaadjes en de blaadjes zijn zachtstekelig, bij de onderste bladen omgekeerd eirond, verwijderd gezaagd, bij de bovenste langwerpig-lijnvormig en bijna gaafrandig.

De bloemen zijn wit en staan in zeer losse, lange, armbloemige trossen. De bloemsteeltjes zijn langer dan de kelk. Van de bloemkroon zijn de zwaarden en de kiel bijna even lang als de vlag. De peulen zijn eirond, samengedrukt, netvormig gerimpeld, meest eenzadig. ©O. 3-15 dM. Juni, Juli.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Zuid-Rusland voor en is bij ons aangevoerd bij Amsterdam gevonden.

11. Trifdlium:i) L. Klaver.

Kelk buis- of klokvormig, met 5 geiijke of ongelijke tanden. Bloemkroon bijna steeds verdrogend, met kroonbladen, die meest beneden alle tot een buis zijn vergroeid, soms is de vlag vrij. De zwaarden zijn van voren vrij en langer dan de stompe kiel. Meeldraden 2-broederig, met aan den top

') albus = wit. -) ruthenicus = Rutheensche. ■') van het Latijnsche tri: drie en folium: blad. omdat de bladen drietallig zijn.

Heukels , Flora. 40

Sluiten