Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kort zijn als de bladen, in wier oksels zij staan. De kelk is onbehaard, klokvormig, met kelktanden, die korter zijn dan de kelkbuis (fig. 800). De peul is 30 a 3o mM lang, 5 mM breed, opgericht, lijnvormig, bijna driekantig, beneden diep gegroefd, gebogen, toegespitst, onbehaard (fig. 800). De verschillende peulen eener bloeiwijze staan dicht opeen, zij zijn samenneigend. De zaden zijn boonvormig. 3-12 dM. 4. Juni—September.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bosschen en op grazige en onbebouwde plaatsen in Midden-Europa voor. Bij ons is zij het meest in het kreupelhout in heuvelachtige streken gevonden, nl. in de omstreken van Nijmegen, bij Hilversum en in Zuid-Limburg.

A. Onobrychis') L. Esparcetle-hokjespcul (fig. 801).

Deze plant is witachtig aanliggend behaard. Zij heeft een opstijgenden stengel.

ue Diaaen zijn oneven gevind, 8-12-jukkig. De blaadjes der hoogere bladen zijn langwerpig, die der onderste eirond, uitgerand. De steunbladen der bovenste bladen zijn eirond-lancetvormig, zij zijn zoo vergroeid, dat zij den stengel omvatten.

De bloemen zijn blauwachtig purper, vrij grool, opgericht en zitten ten getale van 10-20 in omgekeerd eironde^ dichte trossen, die ten slotte verlengd zijn en aan stelen staan, die langer zijn dan de bladen, in wier oksels zij zitten. De kelk is behaard, buisvormig met lancetvormige tanden, die 3-5 maal zoo kort zijn als de buis. De vlag is lijnvormig-langwerpig, afgeknot, veel langer dan de zwaarden (fig. 801). De peulen zijn 10-12 mM lang, 5 111M breed, uit den kelk stekend, opgericht, ovaal-langweroie toegespitst, ruw behaard (fiv ann ^1 9-5 dM

A»tragalu. Onobrychis Juli—September.

Fig 801

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op de bergen in Midden- en Zuid-Europa voor. Bij ons wordt zij wel als sierplant aangekweekt, doch waar zij bij ons in het wild is gevonden, is zij waarschijnlijk wel aangevoerd, nl. alleen bij Rotterdam en Arnhem.

19. Coroirilla -) L. Kroon kruid.

Kelk kort klokvormig, 5-tandig, de 2 bovenste tot bijna aan den top vergroeid, daardoor bijna 2-lippig. Kroonbladen langgenageld. Kiel gekromd en toegespitst gesnaveld. Meeldraden 2-broederig, de langste aan den top verbreed. Peul lijnvormig, recht of gebogen, cylindrisch of hoekig, onbehaard, verdeeld in ovale, eenzadige leden, die zich bij rijpheid scheiden. Zaden langwerpig of cylindrisch. Bloemen geel of violet, vrij groot, in schermen, op lange, okselstandige stelen. Bladen oneven gevind, zelden 3-talIig met gaafrandige blaadjes en vrije of onderling vergroeide steunbladen.

Kruiden of houtige, onbehaarde planten.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Coronil'a.

A. Bloemen wit, rosé en violet, in schermen van 10-15. Bladen oneven gevind, 7-12-jukkig. Peulen bij rijpheid opgericht C. varia blz. 655.

B. Bloemen geel, 2-4 bijeen op stelen. Bladen enkelvoudig of bestaande uit 3 ongelijke blaadjes, waarvan het topblaadje zeer groot is. Peulen uitgespreid.

C. scorpioides blz. 656.

') Onobrychis = ezelvoeder. *) verkleinwoord van het Latijnsche woord corona: krans. Dit slaat op het in een krans staan der bloemen bij C. coronata.

Sluiten