Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neerdrukken van deze gaat de kiel mede. Houdt de drukking op, dan keeren zij in den vorigen stand terug. 1". door hunne eigen elasticiteit, 2". door middel van uitsteeksels der zwaarden naar achteren en binnen, die over de meeldraadbuis liggen, 3". doordat de breede voet der vlag de nagels der zwaarden en kiel omvat.

De stijl is kort, circa 1' ., mM lang, de stempel zit aan den top, dicht daaronder tot ver over het midden is hij met lange, schuin naar boven

staande haren bezet, die naar buiten iets langer zijn en dichter opeenstaan dan naar binnen. Dit is de stijlborstel (fig. 813).

Als de bloemen nauwelijks de helft harer volle grootte bereikt hebben, springen de helmknopjes al open. Deze omgeven den stijlborstel dicht en ontlasten hun stuifmeel tusschen de haren van dezen. Ook de stempel wordt er mede bedekt. Bij insectenbezoek gaat dat stuifmeel aan de onderzijde van het lichaam van deze dieren over en wordt tevens de stempel kleverig door het schuren tegen het insectenlijf en dan eerst is hij geschikt voor bestuiving.

Riipn mnar nnk vlinHprc £»n \;lif»nron •»;;«

c .. , ...m.. WW.» 'HMUVIO vil «IIV.CV.II , £<1111 IJ C £. W V. I\ V. I O»

Stijl, vergroot, p borstel, o . . * , . , . .

st stempel. doch de 2 laatste zuigen honig, zonder bestuiving te

bewerken.

Volksnamen. De naam vogeiwikke wordt het meest gebruikt, in Friesland noemt men de plant haantjes en windsel (de laatste naam ook in Groningen), in Groningen noemt men haar blauwerwtjes, blauwe zwijnetongetjes en nachtwikke, in Twente ringelwikke, op Texel vogeltjes en wok, in ZuidLimburg rief, op Zuid-Beveland en Walcheren wilde wikke, in ZeeuwschVlaanderen en het Land van Hulst wilde vitsen, kleine vitsen en wikerwten.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt langs akkers, in heggen en struikgewas en aan waterkanten in geheel Europa voor en is bij ons algemeen. De var. is bij Rotterdam gevonden.

V. tenuifólia') Rth. Teere wikke (fig. 814).

Deze plant gelijkt veel op de vorige, doch is door de daar genoemde kenmerken ge-

maKKenjk er van te onderscheiden.

Zij is behaard, klimmend. De wortel is dun, rondachtig, iets kruipend. De stengel is vertakt, kantig en gegroefd, beneden kaal, boven bijna aangedrukt wit behaard.

De bladen zijn bijna zittend, 8-14-jukkig met vertakte ranken. De steunbladen zijn gaafrandig, die onder acn den stengel zijn halfspiesvormig, behaard, smal, lang toegespitst, die boven aan den stengel zijn kleiner, smaller en zonder de spieslobben. De blaadjes zijn lijn-lancetvormig met vaak bijna rechte zijranden, van onderen afstaand behaard, boven stomp of iets spits.

De bloemen zijn bleek of violetblauw, iets welriekend, met witachtige zwaarden, vrij groot (12-15 mM) en staan in 15-25-bloemige trossen, die vrij los en eerst driehoekig-

Vicia tenuifólia langwerpig zijn en langer zijn dan de bladen, in wier

oksels zij staan. De kelk is aan den voet niet bultig en Ê' heeft ongelijke tanden, de grootere tanden zijn bijna priem-

'ormig toegespitst, de middelste is het langst (fig. 814). De plaat der vlag is 2 maal zoo ang en breed als de nagel. De zwaarden zijn iets korter dan de vlag. De kiel is veel

Vicia Cracca Fig. 813.

') tenuifólia = dunbladig.

Sluiten