Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

korter dan de zwaarden, stomp, langgenageld. De peulen zijn 20-30 mM lang, 6-8 mM breed, samengedrukt, onbehaard, versmald in een voet, die even lang is als de kelkbuis (fig. 814). De zaden zijn zwartachtig, langwerpig-ovaal en hebben een navel, die 1 | maal zoo lang is als de zaadomtrek. 4. 3-15 dM. Juni—Augustus.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in heggen, struikgewas en bouwland in geheel Europa voor, doch is bij ons alleen bij Nijkerk gevonden (1857).

V. villósa') Rth. Zachte wikke (fig. 815).

Deze plant gelijkt veel op de 2 vorige, doch de bloemtrossen zijn hier rijkbloemiger, dichter ineengedrongen en minstens zoo lang als de bladen,

in wier oksels zij staan. Verder zijn de bladen meestal 8-jukkig, terwijl zij bij V. Cracca en V. tenuifolia meest lü-jukkig zijn. De blaadjes zijn afstaand dicht behaard. De plaat der vlag is half zoo lang als de nagel. De vruchten zijn langwerpig, de zaden kort genaveld.

De plant is uitstaand dicht behaard, alleen de bloemkronen en peulen zijn onbehaard. De stengel is slap, dus liggend of klimmend.

De bladen zijn 5-10-(meest 8-)jukkig en hebben vertakte ranken. De steunbladen zijn vaak getand. De blaadjes zijn elliptisch-lancetvormig tot lancetvormig, gaafrandig.

De bloemen zijn blauw-violet, zelden wit (14-16 mM), zij zitten in ruitvormig-langwerpige, rijkbloemige trossen, die langer zijn dan de bladen, in wier oksels zij staan.

Voor den bloeitijd zijn de trossen veder- vicia viitosa

achtig behaard (dit is een der beste ken- Flg- 815,

1 \r -ii „\ r\ 1 11 1 kelk, 2 vrucht.

merken voor V. villosa). De kelk is aan

den voet bultig, d. w. z. aan de bovenzijde is de voet zakvormig verwijd, waardoor het korte bloemsteeltje horizontaal staat ten opzichte van de spii (een goed kenmerk voor V. villosa). Hij heeft ongelijke tanden, de 3 onderste zijn draadvormig, even lang als de kelkbuis. De vlag is even lang als de zwaarden, de plaat 2 maal zoo kort als de nagel. De peulen zijn 20-25 mM lang, 8-9 mM breed, langwerpig, onbehaard, samengetrokken in een voet, die langer is dan de kelkbuis. De zaden zijn bolrond en grijs en hebben een navel, die 1 „ maal zoo lang is als de omtrek van het zaad. 0O en 0. 3-15 dM. Juni—Augustus.

Biologische bijzonderheid. De inrichting der bloem met het oog op de bestuiving is als bij V. Cracca, alleen openen zich hier de helmknoppen eerst en geven hun stuifmeel aan den stijlborstel af, als de bloemen bijna volwassen zijn.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op bouwland, vooral op zandigen leembodem in Midden-Europa voor. Bij ons is zij in de laatste jaren als voederplant verbouwd, doch in het wild meest aangevoerd en nog vrij zeldzaam.

i) villosa = donzig.

Sluiten