Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kelk der bloemen heeft ongelijke, rechtopstaande tanden, de bovenste zijn half zoo lang als de onderste. De peulen zijn 5-6 cM lang, 10-12 mM breed, langwerpig, samen¬

gedrukt, niet gesteeld, op de zijvlakten onbehaard, doch op de naden getand knobbelig, bij rijpheid zwartachtig (fig. 817). De zaden zijn bijna bolrond, de navel zit zijdelings aan de zaden (kenmerkende verschillen met V. faba). O. 2-5 dM. Mei—Juli.

De variëteit fi- serratifólia ') Jacq. heeft de blaadjes van alle of althans van de bovenste bladen bijna van den voet af scherp getand.

Biologische bijzonderheid. Bij deze soort zijn onderaardsche vruchten, als bij V. angustifolia waargenomen.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bosschen en struikgewas voor in Zuid-Europa. Bij ons is zij soms als voederplant gekweekt en misschien verwilderd en ook ingevoerd. Zij is bij ons bij Nijmegen, Deventer en Egmond aan Zee gevonden. De var. is alleen bij Egmond aan Zee gevonden.

V. sepium -) L. Heggewikke (fig. 818).

Deze plant is verspreid behaard, klimmend, met kruipenden, verlengden, dunnen, vertakten wortelstok en daaruit komen tal van opstijgende, kantige, vaak gedraaide, vertakte stengels.

De bladen zijn 3-7-jukkig met vertakte ranken. De steunbladen zijn in¬

gesneden getand, vaak met een donkere vlek, halfpijlvormig, gewimperd. De blaadjes zijn 1 cM breed, eirond-langwerpig, gewimperd, gaafrandig, bij de bovenste bladen zijn ze aan den top uitgerand en daar meest van een zeer kort spitsje voorzien.

De bloemen zijn vuilviolet, soms geelachtig tot zuiver wit (de vlag met donkere aderen), 12 niM lang, zij staan horizontaal uit e.i staan 2-6 bijeen in zeer kortgesteelde trossen, die aanzienlijk korter zijn dan de bladen, in wier oksels zij staan. De kelk is meest donker gekleurd, scheef klokvormig en heeft ongelijke kelktanden, die uit breeden voet priemvormig zijn, terwijl

de bovenste 2 kort zijn en samenneigen (fig. 818). De bloemkroon heeft

een onbehaarde vlag. Ce peulen zijn 25-30 mM lang, 6-7 mM breed, lijnvormig-langwerpig, gesteeld, bij rijpheid onbehaard en zwart, 3-10-zadig (fig. 818). De zaden zijn lichtbruin, bijna bolrond, iets samengedrukt. 4- 3-6 dM. Juni— Augustus.

Biologische bijzonderheden. De bouw van den stijlborstel is hier heel anders dan bij V. Cracca. De 2' ._> mM lange stijl draagt nl. onder den stempel 2 geheel van elkaar gescheiden stijlborstels, een aan de binnen- en een aan de

buitenzijde, die ieder omstreeks 1 mM ver afloopen (fig. 819). vtcia sepium

Die, welke aan de binnenzijde zit, bestaat uit een rij schuin p s7j]fhorste!

naar boven gerichte korte haartjes, die aan de buitenzijde Sf stempel, zich bevindt, verbreedt zich naar den stempel toe en zijne

!) serratifólia == gezaagdbladig. J) sepium = in heggen groeiend.

Vicia narbonensi

Flg. 817.

Vicia sepUu Fig. 818.

Sluiten