Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cirkelronde vlag. Meeldraden 2- of 1-broederig met een rechthoekig afgesneden buis. Stijl recht of gebogen, vaak om de as gewonden, niet geleed, verbreed, van voren naar achteren aan den top samengedrukt, gootvormig en van boven behaard. Peul uit den kelk stekend, langwerpig of lijnvormig, samengedrukt, scheef in den snavel versmald, twee- of meerzadig.

Bloemen verschillend gekleurd, alleenstaand of in trossen op lange, okselstandige stelen.

Bladen even gevind met een rank of een spitsje, met 1 a 6 paar gaafrandige blaadjes, die in den knoptoestand opgerold zijn, zelden de bladen enkelvoudig of tot een rank gereduceerd. Steunbladen aan den voet in een punt verlengd.

Kruidachtige planten, die rechtopstaan of klimmen.

Biologische bijzonderheden. Bij vele soorten is het groene weefsel der bladschijf gereduceerd, zoodat zelfs bij enkele de geheele bladschijf tot een rank vervormd is, bij andere alleen het onderste paar blaadjes aanwezig is. Vooral in het eerste geval zijn echter de steunbladen zeer sterk ontwikkeld en nemen de functie der bladen over. In andere gevallen zijn de bladstelen en soms ook de stengels van groene bladachtige lijsten en vleugels voorzien, om de assimulatie mogelijk te maken.

De inrichting der bloemen met het oog op de bestuiving wordt uitvoerig bij L. pratensis behandeld. Bij de andere soorten komt zij daarmede vrij wel overeen (afwijkingen zullen, voor zoover noodig, worden opgegeven). In het algemeen zijn de bloemen der Lathyrussoorten bijenbloemen, die honig bevatten en komt de inrichting in hoofdzaak overeen met die bij Vicia en Pisum.

Volksnaam. Op Walcheren noemt men de Lathyrussoorten lazaruserwtjes.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Lathyrus.

A. Stijl, helmdraden en kiel niet gedraaid. Peul meerzadig, onbehaard.

a. Blaadjes geheel of ten deele ontbrekend.

aa. Bovenste en middelste bladen in ranken veranderd. Steunbladen zeer groot, eirond, met spiesvormigen voet. Trossen 1- of 2-bloemig. Bloemen geel.

L. Apliaca blz. 678.

bb. Bladstelen tot lijnvormige, spitse schijnbladen vervormd. Steunbladen priemvormig, klein. Trossen 1- of 2-bloemig. Bloemen purper.

L. Nissolia blz. 679.

b. Bladen even gevind, met ongevleugelde stelen. Trossen meerbloemig. Zaden glad.

aa. Stengel zwak, klimmend. Bladen met gedeelde rank. Peul lijnvormig-lang-

werpig.

aaa. Stengel kantig, ongevleugeld.

«■ Bladen 1-jukkig. Steunbladen half pijl-lancetvormig. Bloemen geel.

L. pratensis blz. 679.

/?. Bladen meest 4-(zelden minder, tot l-)jukkig. Steunbladen pijlvormig met spitse oortjes. Bloemen met purperroode vlag en blauw-

roseroode zwaarden L. maritimns blz. 681.

bbb. Stengel gevleugeld. Steunbladen halfspies-lancetvormig. Bladen 2-3-jukkig.

L. palaster blz. 681.

bb. Stengel rechtopstaand. Bladstelen in een stekelpunt uitloopend. Peulen lijnvormig.

aaa. Stengel ongevleugeld. Bladen 2-4-jukkig. Blaadjes eirond, lang toegespitst, van onderen grasgroen, glanzend . . . . L. vernus blz. 684. bbb. Stengel gevleugeld. Bladen 2-3-jukkig, langwerpig tot lancetvormig, stomp of toegespitst, van onderen blauwgroen, dof.

L. montanus blz. 685.

Sluiten